Aan de gelovigen van de parochie Sagrado Corazón de Jesús van Ypacaraí (Paraguay)
Mijn beste vrienden,
In de laatste homilie heb ik het gehad over geld en het aan geld gehecht zijn als bron van iedere corruptie.
Ik kom op hetzelfde onderwerp terug, omdat de Kerk in de wereld, te midden van de mensen, leeft en niet in een niet bestaande, van de wereld gescheiden werkelijkheid, en zij ook een relatie met geld heeft.
Ik weet dat bloedeloze spiritualisten stellen dat hetgeen spiritueel is, superieur is aan hetgeen materieel is. Maar ik weet ook dat zij de waardigheid van de mens niet kennen: ik heb het over de mens die goed weet dat er geen eucharistie en Kerk is zonder een stuk brood en weinig druppels wijn. En achter dit stuk brood en deze druppels wijn is er altijd het werk van de mens.
Het brood kost geld en het zou duivels zijn te denken dat dit tot ons kan komen door middel van een magische handeling die stenen in brood verandert.
Het Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie leert ons dat wij, als wij de authentieke betekenis van ons leven willen begrijpen en beleven, voortdurend moeten terugkeren naar de structuur van het eucharistisch offer, “de oorsprong en het hoogtepunt van heel het christelijk leven” (Lumen gentium, 11).
In de inleiding op het Romeins Missaal merkt de Algemene Ordening op, wanneer er gesproken wordt over de bereiding van de gaven:
“Ofschoon de gelovigen niet meer zoals eens hun eigen brood en wijn, bestemd voor de liturgie, meebrengen, behoudt de ritus van het opdragen van deze gaven echter zijn waarde en geestelijke betekenis. Men kan ook offers in geld brengen of andere gaven voor de armen of voor de Kerk aanbieden”.
Bij het aanroepen van de celebrant die de gaven aanbiedt: “Gezegend zijt Gij God, Heer van al wat leeft. Uit uw milde hand hebben wij het brood ontvangen ... de vrucht van de aarde, het werk van onze handen ... de vrucht van de wijngaard, het werk van onze handen...”, is er heel de eucharistische, en daarom ecclesiale, betekenis van de relatie tussen Kerk-eucharistie en geld.
De eucharistie is een gave van God die aan heel de Kerk toebehoort, maar zij wordt mijn eucharistie in de mate waarin ik op het altaar mijn brood en mijn wijn zet, de vrucht van mijn werk en van mijn deelname aan de opbouw van het Lichaam van de Heer.
Opdat zij van mij is in het wij van het geloof van de Kerk, heeft zij behoefte aan mijn bijdrage, mijn werk, mijn inspanning. Zonder deze persoonlijke en vrije deelname is de eucharistie niet alleen onmogelijk, maar zou het ook iets zijn dat mij niet toebehoort.
Er bestaat dus een nauw verband tussen collecte-offer en eucharistie.
Wij moeten de collecte plaatsen in het kader van de eucharistische betekenis en niet daarbuiten. Zij behoort tot de opbouw van de Kerk als eucharistie, van de Kerk als gemeenschap, van de Kerk als Volk van God.
Uit dit alles volgt de sacraliteit van het geld dat aan de Kerk wordt gegeven en dat moet worden beheerd en beschermd met een hartstocht die degenen die op de Heer verliefd zijn, kenmerkt.
Als de eucharistie brood en wijn is, vruchten van het werk van de mens, die het Lichaam en Bloed van Christus worden, dan moeten wij deze krachtsinspanning, dit zweet en dit bloed beschermen, zonder welke er geen eucharistie, oorsprong en hoogtepunt van ons leven, zou zijn.
In deze eucharistische visie heeft een opvoeding tot het juist gebruik van geld een fundamenteel belang in de opvoeding van de jongeren.
Ik veroorloof mij, wat dit betreft, de eerste jaren van mijn leven in herinnering te roepen. We weten dat vanuit psychologisch standpunt de eerste jaren de belangrijkste zijn in het leven van een persoon.
Ik ben enkele maanden voor het begin van de Tweede Wereldoorlog geboren. Mijn vader, een hoge en zeer integere functionaris bij de Italiaanse overheid, werd naar Afrika gezonden als hoofd boekhouding in de Italiaanse koloniën. Mijn moeder bleef alleen achter met drie kinderen en het gezin kon zich niet verenigen met mijn vader, zoals op het programma stond, omdat de Tweede Wereldoorlog uitbrak en mijn vader door de Engelsen krijgsgevangen werd gemaakt.
Ook het door de staat betaalde salaris werd tot een minimum beperkt en de oorlog was voor ons allen een verschrikkelijke beproeving, die mijn karakter ten diepste heeft gevormd.
Wanneer het maandsalaris kwam, nam mijn moeder verschillende enveloppen en stopte in elk daarvan een hoeveelheid geld. De eerste enveloppen die zij vulde, waren die welke bestemd waren voor verplichte betalingen. Zij begon bijvoorbeeld altijd bij de envelop met de huur. “Als wij de huur niet betalen” – zei ze tegen ons –, “waar gaan we dan slapen?”.
Wanneer wij iets vroegen, vroeg onze moeder aan ons uit welke enveloppe wij het geld moesten nemen, en plaatste ons altijd voor een beslissing: wij kopen dit of dat andere. En zij voegde er elke keer aan toe: “Wij stelen niet, wij maken geen schulden, omdat wij voor schulden moeten betalen en het geld komt niet uit de hemel vallen”.
Zo leerde ik heel eenvoudige dingen die gemakkelijk kunnen worden samengevat:
-
Geld komt niet uit de hemel vallen.
-
Wij stelen niet.
-
Wij maken geen schulden.
-
Als de uitgaven toenemen, moeten de inkomsten toenemen.
-
Wij moeten eerst geld in onze handen hebben en dan kunnen wij het uitgeven.
-
Wij kunnen niet alles kopen wat we wensen, maar het is altijd noodzakelijk een keuze te maken.
Vervolgens leerde ik tijdens mijn studie boekhouding dat de eenvoudige wijsheid van mijn moeder begroting heette, dubbele boekhouding, de balans sluitend maken, een rekening vereffenen enz.
Ik begreep ook dat, als wij niet willen stelen of leven als bedelaars, wij altijd moeten weten te beheren wat wij hebben. Wij kunnen niet uitgeven wat wij niet hebben; als de uitgaven toenemen, moeten ook de inkomsten toenemen; wij moeten altijd transparant zijn, vooral wanneer wij geld dat niet van ons is, beheren.
Dit zijn allemaal eenvoudige overwegingen die een goede huisvrouw weet te maken.
Het zou niet slecht zijn te leren dat men niet kan uitgeven wat men niet heeft, en dat wij onze levensstijl moeten aanpassen aan de economische middelen die wij werkelijk hebben.
Als wij verder dan onze mogelijkheden gaan, zal ons leven uiteindelijk alleen maar kunnen eindigen in een verschrikkelijke mislukking. En het zal volslagen nutteloos zijn te denken dat het mogelijk is voor wie niet de moed had degene die hij ertoe moest opvoeden, op te voeden tot een juist en eerlijk gebruik van geld, zijn mislukking en de mislukking van anderen op te lossen door te huilen met een rozenkrans in de hand, door kaarsen aan te steken en God te beproeven met het vragen om wonderen, nadat hij uit wrede goedheid het kruis van de correctie en de opvoeding afwees waarop deze personen op de gepaste tijd recht hadden.
En moge de zegen van de almachtige God,
Vader en Zoon en Heilige Geest,
over u neerdalen en altijd bij u blijven.
Amen.
(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)
05/05/2021
