Aan de gelovigen van de parochie Sagrado Corazón de Jesús van Ypacaraí (Paraguay)
Mijn beste vrienden,
Het ogenblik komt eraan dat wij erover moeten gaan denken hoe de parochie zal zijn na deze covid-pandemie.
Wij hebben verschillende keren herhaald dat het een illusie is te denken dat wij terug zullen keren naar wat wij eerst hebben gehad.
Veel dingen zullen veranderen en het zou onverantwoord zijn te denken dat er alleen in de Kerk niets zal veranderen.
Vanaf het begin heb ik deze tijd van de pandemie beschouwd als een gunstige tijd om ook de de pastorale structuren te vernieuwen.
Wel, zoals het Tweede Vaticaans Concilie verkondigt, “moet elke vorm van apostolaat zijn oorsprong en kracht aan de liefde ontlenen” (Apostolicam actuositatem, 8).
Dientengevolge zou de pastoraal zonder Caritas zich beperken tot een organisatie, een holle activiteit.
De geloofwaardigheid ervan blijkt duidelijk uit de manier waarop zij zich organiseert en de rest van de parochiegemeenschap sensibiliseert door middel van haar hulp aan de armsten. Maar deze geloofwaardigheid blijkt, als wij steeds meer in staat zijn verder te gaan dan wat verschuldigd is, en alle vormen van belangeloze liefde te vinden. Deze belangeloze liefde komt niet voort uit berekening, maar uit medelijden en barmhartigheid, zoals bij het voorbeeld van de barmhartige Samaritaan, die halt houdt om te zorgen voor de ongelukkige die hij op zijn weg tegenkomt.
Wanneer de mens de liefde van God voor hem ervaart, is alles wat hij doet, niets in vergelijking met de liefde die hij heeft ontvangen.
Dan verwondert hij zich erover, omdat hij zich realiseert dat de liefde die hij heeft ontvangen, niet verschuldigd is, maar belangeloos.
De kern van de christelijke boodschap is de verkondiging van de belangeloze liefde van God.
Wanneer de mens de liefde van God heeft ontdekt, kan hij Hem alleen maar danken door te doen zoals Hijzelf heeft gedaan:
“Wat liefde is hebben wij geleerd van Christus: Hij heeft zijn leven voor ons gegeven. Dus zijn ook wij verplicht ons leven te geven voor onze broeders” (1 Joh. 3, 16).
God liefhebben betekent al degenen die Hij liefheeft, liefhebben, in het bijzonder hen die Hij met bij voorkeur liefheeft: de armen. Ware liefde voor de armen begint bij deze ervaring: de belangeloze liefde van Jezus Christus hebben leren kennen.
Liefde betekent niet dingen geven, maar een hart hebben dat liefheeft. Ware liefde komt voort uit een hart dat liefheeft.
Een activiteit voor de armen moet een teken van een geest van liefde zijn. Het is het beoefenen van de liefde die een levend geloof laat zien.
De liefde van God voor de mens kan niet rationeel verklaard worden.
De heilige Bernardus schrijft in een preek over het Hooglied:
“De liefde is voldoende voor zichzelf, zij behaagt voor zichzelf en naar de maatstaf van zichzelf. Zij is zelf verdienste en beloning.
Liefde zoekt geen redenen, zij zoekt geen voordelen buiten zichzelf. Haar voordeel bestaat in het bestaan. Ik heb lief, omdat ik liefheb, ik heb lief om lief te hebben”.
God heeft in zijn vrijheid gekozen voor wat zwak is, veracht, afgewezen in de wereld om wat sterk is, te vernederen. Hij is de beschermer van weduwen, wezen en armen.
Hij vernietigt zo de wijsheid van de wijzen en de deskundigheid van de ontwikkelden.
De heilige Paulus zegt:
“In Gods wijsheid heeft de wereld met al haar wijsheid God niet gevonden; daarom heeft God besloten hen die geloven te redden door de dwaasheid van de verkondiging ... Want de dwaasheid van God is wijzer dan de mensen, en de zwakheid van God is sterker dan de mensen” (1 Kor. 1, 21.25).
De leden van de Caritas zetten zich in met deze geest en altijd met de bedoeling om te veranderen in het teken van de liefde die zijzelf in hun leven hebben leren kennen.
Het is derhalve een liefde zonder vergoeding die geen enkel onderscheid maakt.
Bij de activiteit van de Caritas moet het charitatieve handelen een beroep doen op verantwoordelijkheid en gerechtigheid.
Het is noodzakelijk de zieken te bezoeken, maar het is ook noodzakelijk hun families hun verantwoordelijkheid te doen voelen. Als iemand ziek is, moeten wij hem helpen. Maar als zijn ouders of kinderen, die hem zouden kunnen helpen, hem niet helpen, moet men hun vragen hun eigen verantwoordelijkheid op zich te nemen.
De Kerk beoefent de solidariteit, maar moet ook profetisch zijn door het Woord te verkondigen dat ons over waarheid en gerechtigheid bevraagt.
Het charitatieve handelen geeft de kracht en de moed om een krachtig discours te laten horen ter verdediging van de armen en de zwakken.
Zonder liefde blijft de mens opgesloten in zichzelf, leert hij de ander niet kennen, blijft hij met zijn vragen, problemen, gevoelens, angsten zitten.
De liefde heeft het vermogen je uit jezelf te laten treden om de ander te ontmoeten. In zijn gelaat vind je het gelaat van God.
Door zich voor de ander te openen denkt de mens dat hij iets geeft, maar wat hij ontvangt, is nog groter.
De liefde maakt een einde aan discoursen, beschuldigingen, discussies. Op deze wijze lost zij veel problemen op.
In het verhaal van de blind geborene geeft Jezus geen antwoord aan de leerlingen over de oorzaken van de ziekte of het zoeken naar een schuldige. Hij plaatst de blinde in het midden en vraagt de menigte: “Wat doen wij voor deze mens?”.
Jezus blijft niet steken in eindeloze discussies, maar stelt de ander vragen met een concreet gebaar om de zieke te genezen: “Wat doen wij, jij en ik, voor deze mens die behoeftig is en lijdt?”.
De houding van Jezus moet ook die van de Caritas zijn. Zij blijft niet staan bij discussies, maar doet concrete dingen voor degenen die behoeftig zijn, en stelt de anderen daarom vragen.
De armen aanraken is waarlijk het vlees en bloed van God te midden van ons aanraken. Het is God zelf, Jezus Christus zelf, de Zoon van God die het heeft gezegd.
Wij lezen in de Catechismus van de Katholieke Kerk de volgende passage van de heilige Augustinus:
“‘Wanneer God komt en niet meer zwijgt, zal Hij zich richten tot degenen aan zijn linkerhand ... Hij zal zeggen: Ik had de geringsten onder de mijnen, die behoeftig waren, op aarde een plaats gegeven, omwille van u. Ik, hun hoofd, zetelde in de hemel aan de rechterhand van mijn Vader, maar op aarde hadden mijn ledematen te lijden, zij hadden honger. Als gij aan mijn ledematen gegeven zoudt hebben, zou wat gij gegeven hadt, het hoofd bereikt hebben. Toen ik de geringsten onder de mijnen, die behoeftig waren, op aarde een plaats gegeven heb, omwille van u, heb ik hen uw zaakgelastigden gemaakt om uw goede werken in mijn schatkamer te vergaren: gij hebt hun niets in handen gegeven, daarom hebt gij ook niets bij Mij gevonden’” (nr. 1039).
Laten wij bidden dat op de dag van het Laatste Oordeel deze woorden voor niemand weerklinken.
En moge de zegen van de almachtige God,
Vader en Zoon en Heilige Geest,
over u neerdalen en altijd bij u blijven.
Amen.
(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)
17/05/2021

