Aan de gelovigen van de parochie Sagrado Corazón de Jesús van Ypacaraí (Paraguay)

 

Mijn beste vrienden,

In een van mijn laatste homilieën zei ik dat wij helaas moeten constateren dat de pandemie de ethische en intellectuele ellende van onze politiek in Paraguay heeft blootgelegd.

Wij zijn geroepen de politiek niet in handen van hen te laten die alleen maar naar het eigen belang kijken en derhalve vijand van allen en alleen maar vriend van zichzelf zijn.

Wij moeten eraan denken hoe de politiek in Paraguay zal zijn, wanneer wij uit de tunnel van de pandemie komen.

Zich niet interesseren voor de grote problemen van het land en geen politiek antwoord hierop geven wil zeggen alleen aan zichzelf denken, denken als iemand die zijn broeders en zusters, vooral de meest behoeftige, afwijst en zelfs niet ziet.

De relatie tussen geloof en politiek, tussen Kerk en staat, tussen goddelijk en menselijk vindt haar wortels in het mysterie van het mens geworden Woord, waarin en waardoor wij toegang hebben tot het begrip van het innerlijke leven van God.

Om de, ook ogenschijnlijk meest onbetekenende, problemen van het dagelijkse leven duidelijk onder ogen te zien moeten wij altijd steeds weer uitgaan van Christus de Heer.

Een van de scharnierpunten van deze relatie vinden wij bevestigd in het Concilie van Chalcedon, waar het christologische dogma wordt bevestigd.

Het dogma van het Concilie van Chalcedon heeft gedefinieerd dat in Christus de menselijke en goddelijke natuur samen bestaan, integraal en volledig, zonder vermenging, onveranderlijk, ongedeeld, onafscheidelijk.

Uit deze dogmatische waarheid leidt men af dat de wonden van het onderdrukte en gekruisigde volk ook de wonden van de Zoon van God zelf zijn krachtens hetgeen het document van het Concilie Gaudium et spes stelt, namelijk dat “de Zoon van God zich door de menswording in zekere zin met iedere mens heeft verenigd” (nr. 22).

De dogmatische waarheid die in Chalcedon wordt geleerd, brengt als gevolg met zich mee dat het probleem van de onderdrukten en gekruisigden in de wereld een probleem van Christus is en de Kerk derhalve niet anders kan doen door met luide stem, zonder te blozen of vermoeid te raken verkondigen dat de marginalisering van de mens haar aangaat, omdat zij haar God aangaat.

Het door de Kerk opwerpen van het probleem van de marginalisering van de armen is een christologische kwestie.

Op die kwestie dient een antwoord te worden gegeven dat afhangt van de wetenschappelijke kennis van de situaties, en tegelijkertijd een multidisciplinaire benadering vereist, die erop gericht is een punt van overeenstemming te vinden tussen de verschillende oplossingen en de vrije consensus die keer op keer daaromheen tot stand komt.

Als de kwestie het lichaam van de Heer betreft en als zodanig normatief is, dan gaat het antwoord de politiek aan en is als zodanig onderhevig aan een pluralisme van mogelijkheden.

De Kerk handelt met haar zending niet direct op economisch, technisch, politiek vlak; zij draagt niet materieel bij aan de ontwikkeling, maar zij biedt in wezen de volken een steeds dieper gaande evangelisatie door de gewetens door middel van het evangelie opnieuw wakker te schudden. Zij levert haar bijdrage door de waarheid over Christus, over zichzelf en over de mens te verkondigen, door deze toe te passen op een concrete situatie (vgl. Redemptoris missio, 58).

Ten opzichte van de tragische gevolgen van de marginalisering van de zwakken belijdt de Kerk haar armoede door het aangeven van politieke oplossingen, maar zij ziet er niet van af de Waarheid van de keuze voor de laatsten te verkondigen als de aanstoot ten opzichte waarvan iedere mens in vrijheid en verantwoordelijkheid stelling moet nemen.

Het feit dat de Kerk bekent arm aan oplossingen te zijn, betekent niet dat zij ervan afziet te wijzen op de eschatologische horizon waarnaar zij op weg is.

Iedere oplossing zal altijd gedeeltelijk en provisorisch zijn en moet onderworpen worden aan de kritiek van het evangelie, dat allen oproept om altijd verder te gaan dan iedere verwezenlijking.

Geen enkele oplossing zal ooit uitputtend recht doen aan de christologische kwestie. Wij moeten vanaf het begin het terrein vrij maken van de illusie dat de politiek heil tot stand brengt.

Politiek is een inzet om in de tijd waarden vlees en bloed te laten worden die op zich altijd iedere verwezenlijking te boven gaan. Het is het bouwen van de stad van mensen, een altijd wankele, broze stad, onderhevig aan vervolmaking en derhalve kritiek en beoordeling. Het is een terrein waarop de wegen niet altijd de enige, helder, geasfalteerd, zeker zijn. Het is de kunst van de bemiddeling en ook van compromissen.

Politiek wordt gevoed door twijfel en luisteren naar anderen. Zij demoniseert niemand. Religieuze categorieën gebruiken om te spreken over economische en politieke verschijnselen is misleidend en wijst erop dat men de inspanning en de moeite wil vermijden van het zoeken, het bestuderen, het risico om zich onder de mensen te begeven om overeenstemming te krijgen.

In de politiek mag men geen bijdrage leveren zonder een specifieke voorbereiding, zonder een kennis van de geschiedenis, de economie, de financiële wetenschappen, de sociologie, van alles dat ons helpt de mens te begrijpen en hem in de tijd van dienst te zijn.

Gelovigen moeten ongetwijfeld een zekere politieke actie ondernemen. Niet als Kerk, maar als mensen die de boodschap van liefde hebben ontvangen en weten dat zij ook door menselijker structuren te creëren hun broeders en zusters van dienst moeten zijn. Maar dit handelen zal onze tegenstrijdigheid, ons dramatisch leven zijn, ook al weten wij dat wij dit moeten doen en ook al weten wij tevens dat de politiek ons niet zal redden en de wereld zal redden.

Wie ons redt, is Christus en niet onze werken. Wee ons, als wij niet handelen en ook als wij denken dat deze werken ons redden! En vooral wee ons, als wij ons onttrekken aan deze spanning tussen geloof en werken, tussen gebed en actief zijn, tussen eeuwig en tijd, tussen Kerk en wereld, tussen Rijk van God en Kerk!

Wij moeten ons niet onttrekken aan deze spanning, maar haar op ons nemen en voortdurend daar neerleggen waar alles wordt samengevat, genezen, begrepen, opnieuw geordend, verenigd, gered: in de kelk van het bloed van Christus, de kelk van het nieuwe en definitieve verbond. Een bloed dat zuivert, vernieuwt, verlost, verbroedert, verenigt, verzoent, ons binnenlaat in het leven zelf van God en ons vergoddelijkt.

En moge de zegen van de almachtige God,

Vader en Zoon en Heilige Geest,

over u neerdalen en altijd bij u blijven.

Amen.

 

Emilio firmaDon Emilio Grasso

 

(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)

 

 

05/06/2021