Aan de gelovigen van de parochie Sagrado Corazón de Jesús van Ypacaraí (Paraguay)
Mijn beste vrienden,
Onder de zeer vele boodschappen en brieven die ik iedere week ontvang, is mij in één gevraagd wie voor mij de persoon zou zijn die ik aan het einde van mijn leven, als dat mogelijk zou zijn, “mijn Leermeester” zou noemen.
Ik ben er zeker van dat ik niet zou aarzelen te antwoorden: “Pino”.
Pino was het eerste kind dat ik ontmoette tussen de barakkenbewoners van de wijk Quarticciolo-Alessandrino, toen ik na twee jaar werken als priester in een parochie, van de kardinaal-vicaris van Rome het verlof kreeg om tussen die krotten te gaan wonen.
Pino woonde in een barak die aan die van mij vast zat. Zijn ouders waren afkomstig uit een dorpje op Sicilië en oefenden het beroep van straatverkoper uit. Pino, die twaalf jaar was, was de oudste van vier kinderen, evenals zijn ouders analfabeet.
Hij geloofde niet dat ik priester was, aangezien een priester volgens hem behoorde tot een andere maatschappelijke categorie en zeker niet in een barak zonder water woonde.
Praten met Pino was heel moeilijk: hij begreep mij niet en ik begreep hem nog minder. Hij zou mij hebben willen noemen, zoals zoveel anderen mij noemden: “Padre Emilio”. Maar hij slaagde er niet in deze twee woorden uit te spreken. Voor hem was ik “Patamino” en zo werd hij ook voor mij en allen sindsdien Patamino.
Men zegt dat de eerste levensjaren een huid geven die je vervolgens moeilijk verandert.
Mijn huid was gedurende de oorlog gevormd, onder de bombardementen, in schuilplaatsen, toen mijn moeder alleen was en mijn vader gevangene was van de Engelsen.
Wanneer ik ’s nachts huilde van de honger en rilde van de kou, verwarmden betogen mij niet en vulden ook mijn maag niet. Mijn huid kon zeer veel verhalen horen, maar na weinig tijd wilde ik zien en aanraken wat er achter die woorden zat.
In de Borgata heb ik het geluk gehad Patamino te ontmoeten en... nam ik Patamino als startpunt van mijn priesterlijk dienstwerk.
Mijn vrienden van eens begrepen mij niet meer. Zij bleven denken aan de massa’s, aan de Menigte, aan de Revolutie, ook al was het een christelijke revolutie.
En in naam van de Menigte maakten zij hun handen niet vuil aan Patamino.
Maar de Menigte – ik had het lijfelijk als klein kind ondervonden, en de grote Deense filosoof Søren Kierkegaard, de vader van de existentialistische filosofie, had het mij later geleerd – “is in principe de valsheid. De Menigte veroorzaakt immers onverantwoordelijkheid en onbevooroordeeldheid oftewel zij verzwakt de verantwoordelijkheid voor het Individu door het tot een fragment te reduceren. De Menigte is een abstract iets dat geen handen heeft, terwijl het Individu gewoonlijk twee handen heeft. De Menigte is valsheid. Daarom is er niemand die de mens zo veracht als wie aan het hoofd van de Menigte staat. Wanneer aan iemand van hen zich een individu presenteert, dat is dat te weinig en hij stuurt hem trots weg: het zouden er tenminste honderd moeten zijn. En wanneer het er duizend zijn, dan put hij zich uit in buigingen en strijkages jegens de Menigte: wat een valsheid! Nee, wanneer het om een individu gaat, moet de waarheid van het mens-zijn tot uitdrukking komen en als het misschien een arme en ongelukkige mens is, dan is er hier de plicht hem uit te nodigen in de mooiste kamer en ten opzichte van hem de meest beminnelijke en vriendschappelijke uitdrukkingen te gebruiken waarover men beschikt: dat is de waarheid”.
In de Borgata was Patamino de weg naar de Waarheid. Patamino was het Oordeel. Patamino was de Vraag die God mij voorlegde. Patamino was de Geschiedenis.
Over verhalen kan men een leven doen.
Eigenlijk lijden wij vandaag allemaal min of meer aan obesitas of diarree: wij eten woorden en produceren alleen maar geluiden, gas en verschillende soorten vocht.
Maar een woord is vlees en bloed of het is niets. Als de zending van de Kerk niet het Unieke, Onherhaalbare Individu ontmoet in zijn vlees en bloed en niet op een virtuele wijze of abstract opgevat als menigte, dan vergeet de Kerk die Unieke, Onherhaalbare Individualiteit waarin heel de universaliteit, heel de goddelijkheid aanwezig is.
De Diccionario de la Real Academia Española zegt ons dat het woord paradox “het tegengestelde van de algemene opvatting” betekent. Het betreft “een feit of een uitdrukking die ogenschijnlijk tegengesteld zijn aan de logica”.
Wel, dat is de paradox van de persoon van Jezus, de paradox van de zending van de Kerk, de paradox van de menswording van het Woord van God, een unieke en eenmalige gebeurtenis waarbij God mens wordt; de Rijke arm: de Universele een bijzonder individu; de Machtige zwak; de Eeuwige treedt de tijd binnen, opdat iedere mens het heil van God ziet.
Opnieuw vertrekken bij Patamino wil zeggen de historische Individualiteiten serieus nemen die wij tegenkomen, en niet met hen spelen als getallen waarmee wij de leegten van onze onvoldaanheden proberen op te vullen.
De mens is nooit een middel: noch om onze revoluties te maken, noch om onze luchtkastelen te bouwen, noch om de grote achting voor onszelf waarvoor wij geen erkenning vinden, te bevestigen en ook niet om het paradijs te verwerven.
De mens, in het bijzonder de armste en meest waardeloze, is reeds een doel in zichzelf, hij is reeds tegenwoordigheid, ook al is deze verhuld, van God te midden van ons.
Zonder ontmoeting met de individualiteit van de Patamino van ieder is er geen werkelijke aanwezigheid van Christus.
De rest behoort alleen maar tot hetgeen Heidegger de “onsamenhangende kletspraat” zou noemen van wie het anonieme bestaan leeft van iemand die “zich in de menigte schuilhoudt” en zich illusies blijft maken jong te zijn, terwijl men op weg is naar het einde, alleen al omdat hij als de eerste Adam in een appel bijt die hij in zijn dwaasheid vrijheid noemt.
En moge de zegen van de almachtige God,
Vader en Zoon en Heilige Geest,
over u neerdalen en altijd bij u blijven.
Amen.
(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)
30/06/2021

