Aan de gelovigen van de parochie Sagrado Corazón de Jesús van Ypacaraí (Paraguay)
Mijn beste vrienden,
Ten overstaan van een steeds hoger aantal sterfgevallen in Paraguay dat het Ministerie van Publieke Gezondheid ons iedere dag meldt, is ook voor ons het ogenblik gekomen om het te hebben over de kwestie van de dood.
De dood heeft in zich een dubbelzinnigheid. Het is immers het ergste dat in het leven van een mens kan gebeuren: hij is verschrikkelijk en huiveringwekkend. Blijkbaar is hij de uiteindelijke mislukking van alles dat wij hebben gehoopt, gedroomd, opgebouwd en liefgehad.
Daarom is het moeilijk te denken aan de toekomst, wanneer wij weten dat de laatste horizon de dood is en dat iedere dag die voorbijgaat, ons hier dichterbij brengt. Wij kunnen aan de gerechtigheid van de mensen ontkomen, aan de zeer veel moeilijkheden met klein bedrog, maar niet aan de dood.
De mens is werkelijk mens, wanneer hij het vermogen heeft heel de werkelijkheid te zien, zich niet hiervoor te verschuilen en in deze horizon te leven.
Wij hebben allemaal min of meer de mentaliteit dat de dood altijd anderen betreft. Zo dachten eigenlijk enkele oude filosofen. Voor hen was de dood niet iets droevigs of verschrikkelijks, daar het een toestand is van een persoon die niet meer bestaat.
Als ik op dit ogenblik spreek, beweeg ik mij, ga ik een relatie aan met iemand, dat wil zeggen dat de dood niet aanwezig is, het de dood van een ander is, niet die van mij. Wanneer die van mij echter komt, leef ik niet, spreek ik niet, doe ik niets en is het derhalve, alsof de dood niet bestond. Deze redeneringen zijn echter niets anders dan een woordspeling, omdat de dood bestaat, ons leven binnenkomt en het werkelijk verandert.
Deze woordspeling die de dood tracht te temmen en hem te reduceren tot een woord zonder inhoud door een onderscheid te maken tussen de dood die bestaat voor de abstracte mens en die welke niet bestaat voor de concrete mens, vindt men in het beroemde verhaal De dood van Ivan Iljitsj van de Russische romanschrijver Lev Tolstoj, die beschouwd wordt als een van de belangrijkste schrijvers van de wereldliteratuur.
Tolstoj schrijft:
“Ivan Iljitsj begreep dat hij dood aan het gaan was, en hij verkeerde in een voortdurende wanhoop. Diep in zijn hart wist hij dat hij stervende was, maar het was niet alleen dat hij niet aan de gedachte was gewend, maar hij dacht er gewoon niet aan en kon het niet vatten. Het syllogisme dat hij uit de logica van Kiesewetter had geleerd: ‘Gaius is een mens, mensen zijn sterfelijk, dus Gaius is sterfelijk’, had hem altijd juist geleken als het over Gaius ging, maar zeker niet als het hem zelf betrof. Dat Gaius – een abstracte mens – sterfelijk was, was volstrekt juist,
maar hij was Gaius niet, hij was geen abstracte mens, maar een schepsel dat volstrekt, volstrekt apart van alle andere stond. Hij was die kleine Vanja geweest, met een mama en een papa, later met Katinka en met alle vreugden, verdriet en genoegens van de kindertijd, de jongensjaren en de jeugd. Had Gaius de hand van zijn moeder op zo’n manier gekust? Was Gaius net zo verliefd geweest? Kon Gaius net zo een zitting leiden als hij? Gaius was echt sterfelijk, en het was juist dat hij dood zou gaan; maar voor mij, Ivan Iljitsj, met al mijn gedachten en gevoelens, is het heel wat anders. Het kan niet waar zijn dat ik dood moet gaan. Dat zou te gruwelijk zijn”.
De enige waarheid die ons redt, is dat ieder zich alleen voor God presenteert.
De Duitse protestantse theoloog Dietrich Bonhoeffer, terechtgesteld op negenendertigjarige leeftijd, omdat hij zich vastberaden verzette tegen het nazisme, schreef, toen hij het had over de eenzaamheid:
“Je stond alleen tegenover God, toen Hij je riep, je moest alleen zijn roepstem volgen, je moest alleen je kruis op je nemen, alleen strijden en bidden en je zult alleen sterven en rekenschap aan God afleggen. Je kunt niet aan jezelf ontkomen; het is immers God die je gekozen heeft. Als je niet alleen wilt blijven, wijs dan de roeping af die Christus je heeft gegeven, en neem dan geen deel aan de gemeenschap van de uitverkorenen”.
Als wij geloof hebben, beleven wij in deze eenzaamheid het mysterie van de gemeenschap van de heiligen. Daarom blijven zij die sterven, zo zegt onze Heilige Moeder de Kerk, voortleven op een wijze die authentieker is dan de onze, omdat er ten overstaan van God geen andere mogelijkheid is dan authentiek te leven.
De doden hebben hun aardse bestaan beëindigd, maar blijven voortleven in de eeuwigheid.
Alle mensen, ook de belangrijkste, staan naakt tegenover God, wanneer ze sterven, en Hij is ook naakt.
De geschiedenis van de christelijke spiritualiteit heeft een voortdurende lijn van kracht: de navolging van Jezus Christus. Dit vereiste komt tot uitdrukking in stereotype uitspraken die periodiek terugkeren als een refrein. Een van deze uitnodigingen, die ook een programma is, overweegt een totale ontbloting: Nudus nudum Christum sequi, wat betekent: Naakt de naakte Christus volgen.
Hier wijst men op een radicale constatering: als de Heer een dergelijke vernietiging heeft laten zien, moet een christen zich moedig inzetten op deze weg, die geen vermomming of compromissen toestaat. Zijn leven in Christus Jezus zal derhalve zonder pretenties zijn, openlijk, zoals dat van de gekruisigde Heer was in een staat van totale armoede.
Ons diep respect moet alleen de liefde van de Heer door middel van zijn kruis dit laten bedekken. Onze daden van concrete liefde zullen het met het mooiste kleed ten overstaan van God bekleden: dat van de naastenliefde. God verhindert ons niet te huilen, maar Hij nodigt ons uit om niet te wanhopen. De hoop duurt voort, omdat er na de dood leven is. God wil niet dat wij de dood, maar het leven vieren.
Daarom moeten wij geen angst hebben. Wij zijn veeleer geroepen om aan een leven te bouwen om lief te hebben, omdat alleen de liefde het krachtige woord is dat het mogelijk maakt een authentieke richting te geven aan het bestaan en een kracht doet ervaren die de dood overwint.
De heilige Paulus schrijft aan de christenen van Corinthe:
“En wanneer dit onvergankelijke met onvergankelijkheid is bekleed en dit sterfelijke met onsterfelijkheid, dan zal het woord van de Schrift in vervulling gaan: De dood is verslonden, de zege is behaald! Dood, waar is uw overwinning? Dood, waar is uw angel? De angel van de dood is de zonde, en de kracht van de zonde is de wet. Maar God zij gedankt, die ons de overwinning geeft door Jezus Christus onze Heer” (1 Kor. 15, 54-57).
Met de heilige Paulus en heel de Kerk van gisteren, vandaag, morgen en altijd strijden wij christenen onophoudelijk en herhalen zonder moe te worden de woorden van geloof en hoop: ¡Hasta la victoria! Siempre.
En moge de zegen van de almachtige God,
Vader en Zoon en Heilige Geest,
over u neerdalen en altijd bij u blijven.
Amen.
(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)
03/07/2021

