Aan de gelovigen van de parochie Sagrado Corazón de Jesús van Ypacaraí (Paraguay)
Mijn beste vrienden,
In deze tijd van de COVID-19-pandemie en de varianten van het coronavirus stijgt uit het onderdrukte en gekruisigde volk, dat geen
antwoord vindt dat het zou moeten krijgen van de politieke klasse van ons land, een diepe kreet van smart en een wanhopig gehuil op, vooral wanneer men de diepe gebreken van het nationale gezondheidssysteem vaststelt.
Mijn antwoord is altijd hetzelfde: als er uit het volk geen mensen komen met een gezuiverd hart en een verlicht verstand, is het nutteloos een verandering te verwachten die door personen wordt verwezenlijkt die behalve de naam en de kleur van het hemd dat zij aanhebben, allemaal dezelfde woorden zeggen, allemaal dezelfde beloften doen, maar hetzelfde systeem van cliëntelisme en een politiek zonder een visie voor de lange termijn laten voortbestaan.
Zuivering en bekering zijn vereisten die altijd aanwezig zijn in de prediking van de Kerk en die een beroep doen op het geweten van de mens, op zijn vrijheid en verantwoordelijkheid ten opzichte van de zonde en het kwaad.
Wij zijn vaak gewend een zondebok te zoeken, wanneer het kwaad op onze weg komt, of een tragische situatie zich voordoet of wanneer wij moeilijkheden tegenkomen. Wij staan klaar om de verantwoordelijkheid bij anderen te zoeken, met de vinger naar iemand te wijzen en op hem onze schuld af te schuiven. Wij zeggen nooit: “Ik ben de schuldige; het is mijn verantwoordelijkheid”. Wij haasten ons het kwaad in de ander te zien en vergeten dat de zonde in ons hart is.
Als wij om te veranderen erop wachten dat eerst de ander verandert, zullen wij nooit het gevoel hebben van onze persoonlijke verantwoordelijkheid en zullen wij altijd mensen zijn die van anderen afhankelijk zijn. De ander beschuldigen en de eigen zonde niet zien brengen ons ertoe nooit iets te doen. Wij zullen blijven wachten, totdat de ander verandert, en altijd met de armen over elkaar blijven staan.
De mens staat in feite met zijn individualiteit tegenover God, die hem persoonlijk bevraagt over het levensplan dat hij Hem voorlegt. Hij kan zich niet verschuilen in de anonimiteit van de massa, daar iedere mens met zijn identiteit en uniciteit wordt geschapen. Christus
heeft alle mensen gered: Hij komt tot hen individueel en redt hen een voor een, waarbij Hij allen uitnodigt naar Hem te gaan om het heil te ontvangen en zo zijn Lichaam, dat de Kerk is, te vormen.
Ten overstaan van God kan er geen naamloze, vormeloze en niet geïdentificeerde massa of een anoniem individu zonder gezicht bestaan, zoals er ook geen chaos kan bestaan waarin alles een mix en een amalgaam is.
In zijn scheppingswerk heeft God verschillen gelegd, distincties, individualiseringen en de dingen van elkaar gescheiden, omdat de dingen alleen door uit de vormeloze massa, de mix en de vaagheid te treden, alleen door met hun naam geroepen te zijn het bestaan binnentreden, het leven aannemen. God noemde het licht “dag” en de duisternis “nacht”, Hij noemde de uitgestrektheid tussen de wateren “hemel”, de droge grond “aarde” en de watermassa “zee”.
En ook de mens kan alleen beginnen te bestaan, geliefd te worden en lief te hebben door uit de anonimiteit te treden, in zijn individualiteit en uniciteit bij naam geroepen te worden: ik ben ik en er is niemand anders die mijn ik is.
Op het ogenblik dat God zich tot de mens richt en hem bevraagt door hem bij naam te roepen, krijgt deze zijn unieke originaliteit en zijn bijzondere verantwoordelijkheid.
God heeft ons als vrije mensen geschapen, ieder met alle geestelijke vermogens: met een geheugen, een verstand, een wil, een vrijheid en verantwoordelijkheid, met zijn vermogen tot zelfbeschikking, tot het maken van keuzes.
De keuze van de mens kan goed of slecht zijn, maar het is zijn eigen keuze. Dus het is noodzakelijk de eigen verantwoordelijkheid jegens onszelf, jegens allen en de hele schepping te voelen.
God heeft de mens op de aarde geplaatst om haar een ander aanblik te genen, te veranderen, om het gezicht van de stad waarin hij leeft, mooier te maken. Dat is de taak van allen en van ieder.
Ons geloof doet ons zeggen dat wij in God geloven, maar ook in de mens, omdat God vlees, mens geworden is. Als wij zeggen “Ik geloof in God” en ook niet “Ik geloof in Jezus Christus, de mensgeworden Zoon van God, ware God en ware mens”, dan is ons geloof geen katholiek geloof.
En God heeft zich in Jezus Christus met iedere mens verenigd, zoals het Tweede Vaticaans Concilie onderstreept: “Hij heeft zich immers, als Zoon van God, door zijn menswording in zekere zin met iedere mens verenigd” (Gaudium et spes, 22).
God is niet opgesloten gebleven in het graf, maar leeft in het hart, de handen, het gezicht, de voeten, de oren van wie de kreet van de onderdrukte hoort. Hij leeft in de mensen en te midden van de mensen. God draagt de naam van de mens.
Zoals paus Franciscus zei:
“De naam van God is verbonden met de namen van de mannen en vrouwen met wie Hij zich verbindt, en deze band is sterker dan de dood. En wij kunnen ook zeggen van de relatie van God met ons, met ieder van ons: Hij is onze God! Hij is de God van ieder van ons! Als droeg Hij onze naam”.
En men speelt niet met de naam van God, met de mens.
God, de beschermer van de armen en de verdrukten, is geen vriend van wie hetgeen behoort tot de zorg voor de meest behoeftigen, in eigen vervloekte zak steekt en hen slachtoffer laat zijn van alle diepe gebreken van ons nationale gezondheidssysteem.
En laten wij niet vergeten dat, zoals paus Franciscus herhaalt, “de duivel vanuit de zakken binnenkomt”.
![]()
Ik gedenk op deze dag met een diepe ontroering de vriendinnen en vrienden die in deze periode zijn gestorven en die met ons in de gemeenschap van de heiligen verbonden blijven.
En moge de zegen van de almachtige God,
Vader en Zoon en Heilige Geest,
over u neerdalen en altijd bij u blijven.
Amen.
(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)
31/07/2021
