Aan de gelovigen van de parochie Sagrado Corazón de Jesús van Ypacaraí (Paraguay)
Mijn beste vrienden,
Ik heb deze homilie geschreven met Isabelino, Santi en María in mijn geest en hart. Hun lijden, na een harde strijd en onzegbaar lijden door COVID-19
veroorzaakt, betekent het einde van ons geliefde koor “Santa Cecilia”, zoals wij het hebben leren kennen en zo hebben bemind.
De hoop zegt ons dat iets nieuws daaruit zal voortkomen. Maar het nieuwe dat ontstaat, is niet het kunstmatig reanimeren van hetgeen dood is.
Isabelino, Santi en María, die wij definitief hebben gegroet en met hen het koor “Santa Cecilia”, zoals wij het hebben leren kennen, zeggen ons dat na deze pandemie niets meer zal zijn als tevoren.
Of het beter of slechter zal zijn, hangt af van onze liefde en inzet om de Kerk, waarvan het leven van ieder van ons afhangt, als onze kleine dochter aan ons hart te drukken.
Eens vroegen ze aan Jan Jacob Slauerhoff, wiens werk wordt beschouwd als een van de beste scheppingen van de Nederlandse literatuur, waarom Nederland zo rijk was aan dichters, en zo arm aan prozaschrijvers. Slauerhoff antwoordde: “Wat niet de moeite waard is om gezegd te worden, zingt men”.
De verticale val van de geestelijke erfenis, ontvangen van de voorafgaande generaties, leidt tot een onderzoek betreffende de taal als communicatie-instrument van deze erfenis.
De kwestie van de taal is onvermijdelijk. De taal die eigen is aan een mentaliteit die typisch is voor het gevestigde christendom, dat wij als erfenis hebben ontvangen, is niet meer in staat de kern van de christelijke boodschap te communiceren.
Op dit type maatschappij waarover wij het hebben, zou men de woorden kunnen toepassen die Franz Kafka, een van de meest invloedrijke schrijvers van de wereldliteratuur, zei tot zijn vader: “Jij was voor mij de maat van alle dingen”, “Jij was alles voor mij”, “Jij was mijn enige opvoeder”.
Nu is “die vader” gestorven. Maar de hoop is niet verloren, als men deze niet verbindt met historische vormen of met een intussen achterhaald taalgebruik.
Als Kafka kan uitroepen: “Christus is een afgrond vol licht, ten overstaan waarvan men de ogen moet sluiten om er niet in te vallen... Ik span mij in werkelijk degene te zijn die wacht op de genade. Ik ben in afwachting en kijk. Misschien zal zij komen, misschien zal zij niet komen. Misschien is dat rustig en soms onrustig afwachten reeds de aankondiging van de genade of de genade zelf”, met des te meer reden kunnen wij, die geen agnost zijn zoals Kafka, hopen en wachten zonder ongeduld, zonder een geest van kruistochten door van mening te verschillen met hen die “in de huidige
omstandigheden van de menselijke maatschappij niet in staat zijn iets anders te zien dan verval en ellende; die zeggen dat onze tijden veel slechter zijn in vergelijking met de voorbije eeuwen; en zelfs zover gaan dat zij zich gedragen, alsof zij niets kunnen leren van de geschiedenis, die de meesteres van het leven is”.
Hopen en wachten ontslaat ons niet van een geduldige en diepgaande moeite de wegen te vinden om het hart van God het hart van de mens te laten bereiken. Deze wegen hebben betrekking op ons geloofsgetuigenis en de taal waarin wij met de andere mensen van onze tijd communiceren.
Deze taal moet, om de categorieën van de Duitse filosoof Martin Heidegger te gebruiken, een authentieke taal van het bestaan zijn en niet een taal die zich presenteert in een niet authentieke vorm, een niet authentieke vorm die geklets wordt. Zo beschrijft Heidegger wat geklets is, geklets dat wij ook met de term “geroddel” zouden kunnen aanduiden.
“Als er maar gepraat wordt... Wat gezegd is, verspreidt zich in steeds bredere kringen en ontleent zijn autoriteit hieraan. De dingen zijn zo, omdat men het zo zegt... Geklets, waarbij men weigert terug te gaan naar het fundament van hetgeen is gezegd, is altijd en absoluut een procédé van afsluiten”.
Ons openstellen voor een authentiek taalgebruik en het afsluiten dat gelegen is in geklets, overwinnen betekent heel ons wezen ervoor inzetten voor de relatie met het jij van de ander.
Hier komt de diepgang – naar aanleiding van de taal die de Kerk geroepen is aan te nemen in deze nieuwe tijden die al zijn begonnen – van de door Slauerhoff aangehaalde bewering weer terug: “Wat niet de moeite waard is om gezegd te worden, zingt men”.
Want de taal van het begrip is minder geschikt dan die van de poëzie een religieuze ervaring uit te drukken.
Herhaalde en overdachte gezangen hebben de plaats ingenomen van de geschreven taal, van de logos. Zij openbaren de betekenis, laten een glimp zien van het wezen dat met de rede niet bereikbaar is.
Ons woord over God is intussen van weinig belang. Meer van belang is onze stilte en dat Hij spreekt.
Wij moeten terugkeren naar de woestijn zoals in de tijden van de eerste liefde – zoals de profeet Hosea zegt –, opdat de Heer zijn steeds nieuwe spel begint.
En Isabelino, Santi en Maria helpen en leiden ons in deze woestijn, waar wij een taal zullen ontdekken van een oude en steeds nieuwe schoonheid.
Deze taal put uit de authentieke nieuwheid. Want het christendom is de boodschap van een geheel nieuwe, geheel andere dimensie van het menselijk bestaan... In een dergelijke wereld is God binnengedrongen. Hij heeft voor het onrustig zoeken van deze wereld de opening van zijn eigen oneindigheid aangeboden.
Deze nieuwheid is een Persoon waarin Woord en Vlees verenigd zijn in de authenticiteit van zijn taal, omdat – zoals de heilige Ireneüs schrift – “de Heer iedere nieuwheid heeft gebracht door zichzelf te brengen”.
Als de erfenis intussen verbruikt is, rest ons de grote en fascinerende taak de historische plaats te reconstrueren waar de zorg van de Enige onvermijdelijk tot de zorg voor alle anderen leidt.
Als wij blijven stilstaan bij de nostalgie naar de oude tijd, kunnen op ons de woorden van de dichter Lucebert goed worden toegepast:
“Wordt men moe en de stemmen
staan stijf om zelfs de zuiverste lippen”.
Maar als ook wij weten te komen uit het geklets om door de opening van Zijn eigen Oneindigheid te treden in een geheel nieuwe dimensie, zullen wij de boodschap horen en begrijpen van grote liefde en hoop die de oude christenheid ons in handen geeft, die het koor “Santa Cecilia” ons in handen geeft:
“Geeft het laatste geluid: het lied
heeft het eeuwig leven”.
En daar dit lied eeuwig leven heeft, zal alleen op ons de verantwoordelijkheid neerkomen, als zijn klank niet het hart van de mensen van vandaag zal aantrekken.
En moge de zegen van de almachtige God,
Vader en Zoon en Heilige Geest,
over u neerdalen en altijd bij u blijven.
Amen.
(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)
18/08/2021
