Aan de gelovigen van de parochie Sagrado Corazón de Jesús van Ypacaraí (Paraguay)
Mijn beste vrienden,
Dit jaar valt de viering van de 134ste verjaardag van de stichting van de stad Ypacaraí bijna samen met de komende verkiezing van de burgemeester en de leden van de gemeenteraad van de stad.
Daar richt ik mijn respectvolle groet tot de burgemeester ad interim, mevrouw Mabel Beatriz Cárdenas Amarilla, en in het bijzonder tot de drie kandidaten van de verschillende politieke groeperingen die zich kandidaat stellen voor de functie van burgemeester van de stad.
Natuurlijk zend ik ook een hartelijke groet aan de raadsleden die op het punt staan hun mandaat te beëindigen, en tot de raadsleden die zich voor deze verkiezingen presenteren.
Wanneer ik mij richt tot de kandidaten voor de functie van burgemeester, neem ik de alfabetische volgorde van hun achternaam in acht, zodat niemand kan denken aan een voorkeur voor de een of de ander.
Daarom zend ik mijn groeten en respectvolle woorden aan de heren kandidaten: Alejandro Cano González, Raúl Fernando Negrete Caballero, Miguel Ángel Villagra Almada.
Het eerste dat ik wil zeggen en nogmaals stellen is dat de Kerk niet op een autoritaire en dogmatische wijze treedt in het politieke debat.
Om duidelijker te zijn, in het specifieke geval van onze stad Ypacaraí zal er van de kant van de Kerk niet één woord komen om een van de drie betreffende kandidaten te begunstigen of af te wijzen.
Zoals het Tweede Vaticaans Concilie zegt,
“De gelovigen moeten zeer duidelijk onderscheid leren maken tussen de rechten en de plichten die hun als leden van de Kerk toekomen en die welke hun als burgers van de mensenmaatschappij toebehoren” (Lumen gentium, 36).
Stemmen voor de ene of de andere kandidaat is een recht-plicht dat-die wordt uitgeoefend als lid van de mensenmaatschappij
en niet als lid van de Kerk.
“De Kerk – zo verklaart het Tweede Vaticaans Concilie – wil zich op geen enkele manier mengen in het bestuur van de aardse samenleving. Zij eist voor zichzelf geen andere bevoegdheid op dan om, met de hulp van God, de mensen in liefde en trouwe dienstbaarheid te dienen” (Ad gentes, 12).
In deze dienstbaarheid aan de mensen herinnert de Kerk eraan dat ieder bij een politiek engagement alleen zichzelf en niet de Kerk moet engageren. Zij is getuige van het absolute; zij is een profetische gemeenschap die de geschiedenis leidt; zij is verkondiging van een Rijk dat er te midden van ons reeds is en nog moet komen; zij is een voortdurend oordeel over de wereld die geen Rijk is.
De heilige Paulus VI zei duidelijk dat
“De politiek op haar verschillende niveaus serieus nemen betekent de plicht van de mens, van iedere mens, om de concrete werkelijkheid te kennen en de waarde van de vrijheid van keuze, die hem wordt geboden om samen het welzijn van de stad, de natie, de mensheid te zoeken” (Octogesima adveniens, 46).
De politiek op haar verschillende niveaus serieus nemen betekent dat de kiezers de inhoud en de waarde moeten kennen van de optie die hun wordt voorgehouden, volgens welke het welzijn van de stad collectief verwezenlijkt moet worden. De kandidaten voor de functie van burgemeester moeten die optie laten zien, uitleggen en zij moeten deze programma’s geloofwaardig maken en aantonen dat de personen die geroepen zijn om ze te verwezenlijken, betrouwbaar zijn.
Bij het vormen, uiteenzetten en verwezenlijken van de diverse programma’s komt de verantwoordelijkheid toe aan de
verschillende politieke groeperingen en hun vertegenwoordigers die bij de voorverkiezingen zijn gekozen.
Op dit punt moeten wij zeer duidelijk zijn met het risico vaker hetzelfde te zeggen.
Er wordt op geen enkele wijze gebruik gemaakt van hetgeen tot de religieuze sfeer van iedere burger behoort. Met andere woorden, de programma’s en de kandidaten presenteren zich niet namens de Kerk en evenmin met gebruik van welke type religieuze beelden dan ook, maar namens politieke programma’s.
Wat dit betreft, is het belangrijk opnieuw het principe te bevestigen van de laïciteit van de politiek, een principe dat geworteld is in het evangelie, daar waar Jezus zegt: “Geeft aan de keizer wat de keizer toekomt, en aan God wat God toekomt” (Mat. 22, 21).
De term “politiek” komt van het Griekse polis, dat stad betekent en verwijst naar de kunst van het organiseren van een stad en het leven van een land.
Politiek is derhalve de kunst om het alle burgers mogelijk te maken te leven in vrijheid, gerechtigheid en vrede.
Dit idee van politiek is totaal verschillend van het op cliëntelisme gebaseerde idee dat bekend is onder de naam “Creoolse politiek”.
Volgens een bekend politicus uit Uruguay in de vorige eeuw, Emilio Frugoni, is Creoolse politiek
“onwaardig, ondergeschikt, sensueel, frivool, gekenmerkt door fraude, corruptie, demagogie en omkoopbaarheid, gekarakteriseerd door besluiteloosheid en ideologische heterogeniteit, uitbuiting van de meest onwettige persoonlijke belangen, een ‘geest van gokken’, immoraliteit, het bevelen van een caudillo en oude afgoderijen, fanatisme, irrationeel traditionalisme”.
Ik bid en hoop dat de diverse kandidaten die zich presenteren voor de komende gemeenteraadsverkiezingen met een diepgaande culturele verandering beginnen en realiseren die als uitgangspunt een verlicht verstand en een gezuiverd hart heeft, en dat daarbij in herinnering wordt gebracht dat de deugd van de sterken, een deugd die noodzakelijk is om in de politiek te handelen, is verbonden met geduld en luisteren en niet met het beledigen van
anderen en een wedstrijd waarin degene die het hardst schreeuwt en de politieke tegenstanders het meest beledigt, wint.
Wij zijn geroepen ons te bevrijden van het ideologische of irrationele fanatisme dat de politiek belast met oneigenlijke, hardnekkig tegengestelde betekenissen, waardoor zij niets anders wordt dan een oorlog zonder gevangenen, een erfelijk conflict tussen vrienden en vijanden.
Wat de drie verschillende kandidaten en de verschillende kandidaat raadsleden betreft – ik herhaal het nog een keer –, de Kerk geeft geen enkele aanwijzing en maakt geen enkele keuze. Dat komt het volk en het geweten van ieder toe.
Het enige dat de Kerk kan doen, is eraan herinneren dat de tijd voorbijgaat en wij allen aan ons levenseinde zullen komen, waar wij geoordeeld zullen worden over de liefde die wij voor onze naaste hebben gehad.
En een politiek die vrij is van min of meer kleingeestige persoonlijke belangen, is – zoals Pius XI en al zijn opvolgers hebben herhaald – “de hoogste vorm van liefde, die alleen na de religieuze liefde voor God komt”.
In de hoop dat deze hoogste vorm van liefde in onze stad Ypacaraí begint rond te gaan en zich in heel ons geliefde Paraguay verspreidt, smeek ik zonder iemand uit te sluiten over ieder de zegen van God af.
En moge de zegen van de almachtige God,
Vader en Zoon en Heilige Geest,
over u neerdalen en altijd bij u blijven.
Amen.
(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)
23/10/2021
