Een onvermoeibare apostel van het evangelie

Deel een

 

De belangrijkste gebeurtenissen

De ontmoeting met Klaus Hemmerle

In 1978 vond een van de meeste beslissende gebeurtenissen in zijn leven plaats: de ontmoeting met mgr. Klaus Hemmerle[1], bisschop van Aken, een persoonlijkheid van onmiskenbaar spiritueel formaat en met een grote theologische scherpzinnigheid[2]. Die ontmoeting betekende een keerpunt in zijn leven. Na de eerste contacten richtte hij in een brief woorden tot Hemmerle, die de kracht van de relatie die tussen hen beiden ontstaan was, tot uitdrukking brengen: “Jij hebt mij nieuw leven gegeven! Dit leven – ‘het evangelie zonder meer’”[3].

De intensiteit van deze vriendschap kan men in al haar diepte lezen in de volgende publieke bekentenis enkele weken nadat zijn vriend na een slepende ziekte overleden was:

“Enkele dagen voor zijn dood was ik een laatste keer bij mijn vriend. Hij kon bijna niet meer gaan. Hij kwam toch mee tot aan de deur van zijn werkkamer op de eerste verdieping. Toen ik mij beneden aan deze lange trap omkeerde, zag ik hem in de open deur staan. Met beide duimen omhoog, met een zachte glimlach op zijn reeds door de dood getekende gelaat, getuigde hij van onze eenheid en riep hij mij op tot uitbouw van gemeenschap, altijd, overal. Hoe kostbaar is voor mij dit beeld! Het roept een ander beeld op: de Verrezene die aan zijn leerlingen zijn voor altijd gekwetste handen toont en alleen maar ‘Vrede’ uitspreekt”[4].

Langs mgr. Klaus Hemmerle kwam mgr. Schruers tot een dieper contact met de Focolare-beweging, in geestelijke gemeenschap met de andere bisschoppen die zich door de charismatische figuur van Chiara Lubich hadden laten inspireren.

Het lijden van de armen

De droom als missionaris te vertrekken, die hem in zijn jeugd geboeid had, kreeg in zijn leven gestalte op een andere wijze dan hij wenste in de tijd van de K.S.A., toen hij benoemd werd tot voorzitter van de Nationale Missieraad als vervanger van mgr. Van Waeyenbergh.

Gedurende de jaren van zijn voorzitterschap heeft hij de gelegenheid gehad in direct contact te treden met de Kerken van de Derde Wereld. Hij werd uitgenodigd retraites te geven in Afrika en basisgemeenschappen te bezoeken in Latijns-Amerika, een inzet die van hem behalve een authentiek delen in het lijden van de armen een zeer veeleisend levensritme vroeg, opofferingsgezindheid, een grote mentale en spirituele openheid voor de problemen waarmee de Kerken van de Derde Wereld geconfronteerd werden.

Een bijzonder tekenende ervaring was in het Chili van Pinochet de ontmoeting in de gevangenis met een gemartelde gedetineerde. Het gesprek, de daarop volgende betrekkingen met de familieleden van de gedetineerde, de verhalen over machtsmisbruik en onderdrukking die hij hoorde in de verschillende basisgemeenschappen, de ontmoetingen met de moeders van de desaparecidos in Santiago, evenals die met de straatkinderen in São Paolo, waren het begin van een weg die hem steeds meer ertoe bracht de zijde van de onderdrukten te kiezen, met in een dynamiek van een persoonlijke betrokkenheid.

Ten opzichte van de realiteit van de Afrikaanse Kerken werden zijn keuzes en overtuigingen stelliger. Zij namen een zo smartelijke toon aan, dat zij de gewetens wakker schudden, zoals wanneer hij bij de terugkeer van een van zijn talrijke reizen naar het Afrikaanse continent schreef:

“Zelf heb ik in januari de Kerk die in Kinshasa leeft, mogen bezoeken. Beelden uit de klinieken en de wijken van deze stad verdwijnen nooit meer van het netvlies van mijn hart. Het was voor mij wellicht de meest beslissende ervaring van mijn leven. In een aantal interviews met TV en pers heb ik me hierover mogen uitspreken. En toch weet ik dat ik niet bij machte was het wezenlijke van deze ervaring ter sprake te brengen. Ik ben trouwens nu nog niet met mijzelf klaar. Maar ik ben er alleszins diep van overtuigd dat West-Europa niet lang meer voor het aanschijn van de wereld der armen déze levensstijl kan aanhouden. En ik voel ook aan hoe ‘onwezenlijk’ vele discussies in onze eigen samenleving eigenlijk zijn, die toch steeds weer de sensatie in de media en in de stamcafés blijven voeden. Nooit heeft kleinburgerlijkheid toekomst! Alleen het zoeken van de levende God en een levensgrote solidariteit met ieder die lijdt, waar ook ter wereld, beide als één dynamiek, zijn thans naar de maat van het evangelie en van deze tijd”[5].

Na de aanhoudende volkerenmoord in Rwanda en Burundi werd de smart van een verscheurd volk een persoonlijk lijden met concrete namen en gezichten:

“Ik kan minder dan vroeger een situatie zoals in Rwanda en Burundi verwerken. Het is voor mij een toestand waar ik vaak mee opsta en mee ga slapen. Heel wat van mijn vrienden in Rwanda, vooral jonge priesters, werden vermoord. Ik heb voor hen ooit retraites gepreekt en zij spraken dan heel open met mij. Zij werden mijn vrienden. In Burundi heb ik zelf van dichtbij de sporen van bloed en vuur gezien, verminkte mensen, de vluchtelingenkampen enz. Het verrast mij dat ik sommige Rwandesen en Burundesen een beetje heb kunnen helpen om met hun pijn te leren leven, terwijl ik zelf er niet mee klaar geraak... Maar zelf blijf ik diep gekwetst door zulke wonden. Het doet me heel erg pijn: de grote hoop die verloren gegaan is, het lijden van zo vele mensen, de moeizame heropbouw enz. Het is bijna als de heupkwetsuur van Jacob die met God gevochten had. Ook in mijn geloofsworsteling in het bidden is deze strijd nooit meer afwezig. Dat sluit een diepe vrede niet uit. Maar het kan je heel diep tekenen, wellicht voor altijd... Maar het lijden van Rwanda en Burundi draag ik de laatste tijd constant mee, als het ongrijpbare, onnoemelijke lijden met zo vele gezichten”[6].

En toch steeg ten opzichte van deze slachting van de mensheid een nederig gebed op dat herinnert aan de zachtmoedigen uit het evangelie, maar tegelijkertijd ook krachtig was in zijn besluit:

“Voor de open massagraven in Rwanda had ik de indruk: dit is het einde van onze ‘normale’ geschiedenis. Op dat ogenblik is er zoveel door mij heengegaan. In één flits heb ik, over alle twijfels heen, begrepen: als alles in elkaar stort, blijft alleen Gods liefde en de dienstbare liefde voor de mens. Ik begreep dat ik vanuit deze liefde alles moest doen wat in mijn macht ligt voor vrede en gerechtigheid. Er kwam ook in mij een groot verlangen op om heel teder te zijn voor de kwetsbare, dwaze, moedige mens van daar en overal”[7].

Al dit verdriet, deze dood in de ogen en in het hart, doen begrijpen waarom in elke toespraak, in elk gesprek met vrienden, in elke homilie, in elk geschrift van mgr. Schruers altijd de oproep aanwezig was het gelaat van de arme als referentiepunt te hebben. Ook zijn visie op Kerk en pastoraal hadden dit standpunt, dat niet een optie is die men naar believen kan toevoegen, maar een wezenlijk element dat ertoe uitnodigt het narcisme van een Kerk die vaak te zeer op zichzelf betrokken is, te overwinnen.

Het was immers de vaste overtuiging van de mgr. Paul Schruers dat het voor de authenticiteit van ons christen-zijn van beslissend belang is onze persoonlijke en kerkelijke horizon te openen voor de verlaten Jezus die in het gelaat van de armen vragen aan ons stelt.

Maurizio Fomini

(Wordt vervolgd)

 

 

___________________

[1] Vgl. K. Hemmerle, Glauben, wie geht das?, Herder, Freiburg 1978; vgl. K. Hemmerle, Liniën des Lebens, Neue Stadt, München 1996.

[2] De gezaghebbende prof. Hüberman van de Universiteit van Tübingen heeft zelfs beweerd dat men in de geschriften van K. Hemmerle een theologie over de Drie-eenheid en het gemeenschapsleven vindt, die als sterk hoogtepunt het kruis heeft, met intuïties die misschien diepzinniger zijn dan die van K. Rahner en H.U. von Balthasar, ook al presenteren deze theologen volgens Hüberman duidelijk een veel grotere theologische synthese en zijn zij veelzijdiger.

[3] P. Schruers, Ten uitgeleide, in “Samen” 9 (1994) 84.

[4] P. Schruers, Ten uitgeleide, in “Samen” 9 (1994) 83.

[5] P. Schruers, Nieuwjaarswens, in “Samen” 8 (1993) 4.

[6] P. Schruers, Het lijden van Rwanda en Burundi..., in “Samen” 10 (1995) 116-117.

[7] P. Schruers, Ten uitgeleide, in “Samen” 11 (1996) 99-100.

 

(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)

 

 

26/08/2021