Een lectuur van Madeleine Delbrêl in het licht van de encycliek Spe salvi

 

Wij stellen onze lezers de figuur voor van Madeleine Delbrêl, door kardinaal Carlo Maria Martini omschreven als een van de grootste mysticae van de 20ste eeuw, die de discussie is aangegaan met een ontkerstende maatschappij, waarin haar roeping en zending zich hebben ontwikkeld.

In 1904 uit een niet religieus gezin geboren in Mussidan (Frankrijk), bekeerde Madeleine zich op 29-jarige leeftijd. Vanaf 1933 leefde zij met enkele gezellinnen in Ivry-sur-Seine, waar zij werkte als maatschappelijk werkster en in de overheersende marxistische omgeving terechtkwam zonder ervan af te zien Christus te verkondigen.

Zij stierf onverwachts in 1964 en liet veel geschriften achter, die ook de vrucht waren van lezingen. Op 26 januari 2018 heeft paus Franciscus de heldhaftige deugden van de Dienares Gods erkend en haar eerbiedwaardig verklaard.

Haar geestelijke ervaring laat ons een weg zien voor de zending in een maatschappij, zoals paus Franciscus zegt, waarin “de vragen betreffende God afgenomen zijn, het verlangen naar Hem zwakker geworden is” (Homilie tijdens de Heilige Mis op het hoogfeest van Sacramentsdag, 6 juni 2021). Een leegte die zij zelf nog had doorgemaakt alvorens te evangeliseren.

Het gebed heeft, zoals Hans Urs von Balthasar over haar zei, het haar mogelijk gemaakt haar humor te verenigen met de diepe ernst en het sterke realisme in haar maatschappelijke en psychologische analyses, haar gehoorzaamheid aan de Kerk aan een grote vrijheid.

 

Separador oro 3

 

Een leeg graf heeft zijn stempel gedrukt op de geschiedenis. Generaties en generaties hebben over het hierom hiervan gediscussieerd. Is dit leeg zijn de tegenwoordigheid van alles of van niets?

Benedictus XVI heeft in zijn laatste encycliek Spe salvi zich met dit cruciale probleem van onze tijd en van alle tijden beziggehouden. Voor de paus is weten dat hun leven niet in het niets eindigt, een element dat christenen van anderen onderscheidt (vgl. nr. 2).

Maria Magdalena is voor het lege graf op een antwoord blijven wachten, dat haar zal worden gegeven.

In de afgelopen eeuw suggereert Jacques Loew, een Franse priester-arbeider, ons ook een andere Magdalena, in contact metSe il cielo non e vuoto 1 1be het atheïsme en de ontkenning van God, waarmee zij het volkomen eens is: zij heeft kunnen wachten, op zoek naar een antwoord dat haar intelligentie niet zou vernederen. Wij stellen hier enkele lijnen voor die naar voren komen uit een interpretatie lezing van de uiterst actuele figuur van Madeleine Delbrêl: zij heeft de ervaring van de afgrond van de dood van God in verband gebracht met het christelijk mysterie. Het is een stimulans voor de zending van de Kerk in het derde millennium.

“God is dood, leve de dood!”

Als een Frans intelligent en vrij meisje, aangetrokken door lectuur, kunst en poëzie, is Madeleine Delbrêl van jongs af aan gevoelig voor de levendige discussies in een erudiete omgeving waarin zij regelmatig kan verkeren. Het geloof bestaat in haar leven niet.

Met zeventien jaar roept zij uit: “God is dood, leve de dood!”, maar vervolgens benadrukt zij dat de wereld en haar geschiedenis dientengevolge “de meest sinistere farce zijn die men zich kan voorstellen”. Hoe kan men elkaar eeuwige liefde en trouw zweren, als iedere dag steeds meer het zekere verraad nadert met de verlatenheid van de dood? Waarom zou men zich inspannen om de mensen gelukkig te maken, als het vervolgens voor hen nog moeilijker zal zijn om een leven te verlaten waarin zij het goed hebben? Enzovoort, in een draaikolk waarin alleen maar drie zekerheden overblijven: de dood, het niet bestaan van God en het absurde.

Madeleine ziet en stelt de werkelijkheid vast. Bij deze waarneming ontgaat haar echter niet de ontmoeting met enkele mensen die niet ouder, niet dommer, niet idealistischer zijn dan zij, maar wel christen. Zij merkt op dat zij hetzelfde leven leiden als zij, discussiëren zoals zij, dansen zoals zij, soms meer werken dan zij, een hogere wetenschappelijke en technische vorming hebben dan die van haar, overtuigingen en een politiek engagement hebben die zij nog niet heeft. En met de grootste natuurlijkheid laten zij Christus toe in hun gesprekken, zij lijken niet zonder Hem te kunnen en Hij verschijnt als een levend iemand. Zij vraagt zich dan af of het intellectueel eerlijk is God te blijven beschouwen als zeker niet bestaande. Daar begint haar zoeken. Zijzelf schrijft dat zij om de kwestie direct aan te pakken besloot om met Hem te spreken, te bidden, “vervolgens heb ik door te lezen en na te denken God gevonden; maar door te bidden heb ik geloofd dat God mij vond en dat Hij de levende werkelijkheid is en dat men Hem kan liefhebben, zoals men iemand liefheeft”. Het is echter niet een abstract spiritualisme dat het leven van Madeleine kenmerkt.

Spe salvi geeft ons de volgende uitleg:

“Wie God niet kent, kan weliswaar allerlei soorten hoop hebben, maar is ten slotte zonder hoop, zonder die geweldige, het hele leven dragende hoop. ... ‘Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige ware God en Hem die Gij hebt gezonden, Jezus Christus’ (Joh. 17, 3). Leven in de ware zin heeft men niet in zichzelf alleen en niet uit zichzelf alleen: het is een relatie. En het leven in zijn volheid is relatie met Hem die de bron des levens is. Als wij een relatie hebben met Hem, Die niet sterft, Die het leven zelf is en de liefde zelf, dan staan wij in het leven. Dan leven wij” (nr. 27).

“Een persoonlijke God heerst over de sterren, dat wil zeggen, over alles. Niet de wetten van de materie en de evolutie zijn ten slotte bepalend, doch verstand, wil, liefde – een Persoon. En als wij die Persoon kennen, als Hij ons kent, ... dan zijn wij vrij” (nr. 5).

Madeleine schrijft: “God is een Iemand. ... Alle andere woorden die een idee van God willen geven, spreken inderdaad over een God die een idee zou zijn, niet levend, niet actief, niet doeltreffend, in een woord niet een iemand”. Haar realisme zal haar doen zeggen dat ook de christen geen idealist is, maar wat hem kenmerkt is spreken en handelen: spreken om te zeggen wat God heeft gezegd om te zeggen; handelen om te doen wat God heeft gezegd om te doen en Hem te doen waarnemen als een tegenwoordigheid die werkelijkheid aan het worden is.

Zending is niet facultatief

Het leven en de keuzes van Madeleine Delbrêl worden niet gekenmerkt door bijzondere verschijningen, door grootse werken en indrukwekkende resultaten. Men zal haar leren kennen en waarderen door haar geschriften, vaak naar aanleiding van een bijzondere gebeurtenis, vooral na haar onverwachte dood die haar op 60-jarige leeftijd overviel. Haar bestaan is een gewoon bestaan geweest tussen gewone mensen, een bestaan van ontmoetingen en tegenstellingen. Hieronder de ziekte van haar vader, die na het verlies van zijn gezichtsvermogen en verstand met zijn bizar gedrag het uiteenvallen van het gezin zal veroorzaken; de religieuze roeping van de jongen die de man van haar leven leek te moeten worden; heel haar levensloop na haar bekering tot de lange jaren in contact met de arbeiders van Ivry-sur-Seine in de industriële periferie van Parijs, een communistisch bolwerk in die decennia, waar zij samen met twee andere meisjes arm, kuis en gehoorzaam ging leven[1], zonder bijzondere regels, behalve met de regel geheel onder te gaan in die leegte zonder God die zij zelf had ervaren, met de enige zekerheid van haar geloof. Zij zal over haar ervaring betreffende dood en leven, die altijd met haar meegaat, zeggen: “Men moet zich verloren weten om gered te willen worden”.

Van fundamentele betekenis was voor Madeleine de ontmoeting met p. Jacques Lorenzo, een priester die alleen maar priester wilde zijn en die in haar het evangelie heeft doen ontploffen: een boek dat is gemaakt om in ons te worden ontvangen en dat overal onszelf wil zijn. Het evangelie als een persoonlijke roeping, voor allen, dat hier en nu moet worden beleefd, omdat, zo herhaalde zij vaak, wij niet het recht hebben, als wij eenmaal het woord van God hebben leren kennen, het geen vlees in ons te laten worden en evenmin het voor onszelf te houden. Het is dezelfde ervaring waarover Spe salvi spreekt: “De hoop die haar ten deel was gevallen en die haar ‘verlost’ had, kon ze niet voor zichzelf houden; die moest velen, ja allen bereiken” (nr. 3).

Madeleine Delbrêl handelt juist op het ogenblik dat enkele katholieken zich de vraag stellen of ook Frankrijk niet een missieland is, waarin ervaringen zoals de Mission de France, waaraan ook zij deelneemt, en dat van de priester-arbeiders ontstaan om het hoofd te bieden aan wat kard. Suhard van Parijs noemt “een muur die de Kerk van de massa’s scheidt. Deze muur moet men kost wat kost neerhalen om de menigten die Christus hebben verloren, tot Hem terug te brengen”[2].

Madeleine en haar vriendinnen storten zich in een sociale toestand waar de koortsachtige industriële ontwikkeling, de moordende diensten, de ongezonde levensomstandigheden, de strijd van de arbeidersklasse, het antiklerikalisme en het heersende atheïsme geen ruimte laten voor illusies. De overgebleven christenen leven als in getto’s, in een wereld waarin niemand het gemis aan God voelt en die intussen wordt gebouwd op de afwezigheid en de ontkenning van Hem. Madeleine ziet een dubbele ellende: die van de hongerige geesten, de anorexiapatiënten van God, en parallel daaraan de ellende van hen die uit gewoonte geloven en niet meer leven als mensen die door God zijn verblind/verleid en voor wie evangeliseren niet meer een plicht is die voorgaat. Voor haar betreft het integendeel een aspect dat deel uitmaakt van het geloof, waarop in een bepaalde context nog meer de nadruk wordt gelegd. In haar ervaring legt een atheïstische omgeving, wanneer men er leeft, een keuze op: christelijke missie of christelijk ontslag.

“Op meer eigentijdse plaatsen is geloven weten, maar geloven is ook spreken. Ik weet niet waar men de op vandaag zo gangbare opvatting vandaan haalt dat spreken facultatief is, wanneer iemand christen is”.

Missionaris zijn is niet optioneel voor christenen, omdat zending is: daar waar wij zijn, het werk zelf van Christus doen en dit is Kerk zijn: “Het geloof dient ertoe, opdat God de wereld door ons, evenals door zijn Zoon, liefheeft”.

Mariangela Mammi

(Wordt vervolgd)

 

 

___________________

[1] De kleine gemeenschappen, die door haar zijn begonnen, zullen hoogstens een vijftiental vrouwen bevatten (een vorm van gemeenschap die nog steeds bestaat), terwijl er in Frankrijk en in het buitenland ongeveer 500 “gewone christenen” bestaan die deel uit maken van de gemeenschap van de “Vrienden van Madeleine Delbrêl”.

[2] De Mission de France heeft haar oorsprong te danken aan kard. Suhard. Dit krijgt concreet gestalte in de opening in 1941 van een interdiocesaan seminarie in Lisieux om priesters te vormen die naar arbeiders- en plattelandsmilieus, verstoken van priesters, moeten worden gezonden om samen te delen en te evangeliseren. Onder hen die deze vorming verzorgen, is ook p. Jacques Lorenzo. Belangrijk is in die jaren de publicatie van het boek La France. Pays de mission? van twee jonge priesters, Henri Godin en Yvan Daniel: hierin ontdekt Frankrijk, als oudste dochter van de Kerk, dat het integendeel een gebied is waar de Kerk zelf opnieuw moet worden gesticht.

 

(Vertaald uit het Italiaans door Drs.H.M.G. Kretzers)

 

 

08/09/2021