Een catechist-martelaar

Deel een

 

De besmetting van het geloof

In zijn onderzoek merkt P. Dewitte op hoe de blanken van de SAB gewoon waren iedere christen “catechist” te noemen[1]. Afgezien van de verwarring die er onder de functionarissen van de SAB kon heersen, bracht dit de overtuiging tot uitdrukking dat christen worden daadwerkelijk een missionaire dynamiek met zich meebracht. Het geloof wordt overgedragen door een vitale besmetting van persoon op persoon, zoals de desem die in een massa werkt. Door zijn geloof te beleven, door getuigenis ervan af te leggen in zijn leven van alledag, “besmet” de catechist degenen met wie hij leeft.

Het hoogste offer van Isidorus met zijn bloed zal niets anders zijn dan de bekroning van een getuigenis van leven, beleefde heiligheid waarover alle ondervraagde getuigen spreken.

“Hij was altijd kalm, hij was een goed mens, omdat hij christen was”, getuigde Bongele, hoofd van het personeel in Ikili[2]. “Isidorus werkte heel goed”, zei Joseph Iyongo, huisknecht van Van Cauter[3]. “Isidorus heeft nooit de geringste onbeleefdheid of brutaliteit ten opzichte van een blanke laten zien. Hij was zwijgzaam en altijd correct. Het enige verschil met de anderen was dat Isidorus christen was in Ikili, en wij wisten toen niet wat een christen was. Longange noemde Isidorus altijd ‘dier van Mon Père[4]. Wij wisten niet wat een Mon Père was, wij hadden er nooit over horen spreken... ‘Bidden’, ‘een christen’, ‘Mon Père’ waren op dat ogenblik onbekende dingen voor ons”, zei Mputu, de kok van Van Cauter[5].

Alle arbeiders met wie Isidorus werkte, leerden de christelijke godsdienst door hem kennen. Voor hen werd christen zijn synoniem van een eerlijk, open en allen respecterend iemand, iemand die zijn werk goed deed, maar ook zijn eigen overtuigingen wist te verdedigen en op te komen voor eigen rechten. De christelijke boodschap had het gezicht van Isidorus, een boodschap die vrij maakte, bewust van de eigen waardigheid en de waarde van de eigen persoon.

Vervolgens gaven het gebed en de celibataire keuze van Isidorus aan zijn getuigenis die betekenis van mysterie die de nieuwsgierigheid wekte en het verlangen om de bron te leren kennen die aan die arbeider zoals zij, de kracht gaf een leven te leiden waarvoor zij bewondering koesterden.

Hierdoor was het uiteindelijk het leven zelf van Isidorus dat ondermijnend en gevaarlijk werd in de ogen van Van Cauter.

“De belangrijkste oorzaak – zo stelde de heer Stronck die Van Cauter verving in Ikili –, de enige ware oorzaak waardoor Van Cauter Bakanja heeft laten geselen, is omdat hij christen was en de godsdienst en het gebed aan anderen leerde en dat het prestige van de blanke verminderde”[6].

“Ik heb niets van hem gestolen... ik heb zijn minnaressen, noch zijn concubine ooit benaderd, zei Isidorus volgens Moy’ A Mputsu. De blanke heeft mij zonder reden gegeseld! Mijn vriend, ik lieg niet... ik ben christen... ik bedrieg niemand... Dit is de zuivere waarheid: de blanke heeft mij gegeseld, omdat ik christen ben!”[7].

Dit aspect wordt ook door de Heilige Vader Johannes Paulus II in herinnering gebracht:

“Jij hebt de broederlijke naastenliefde jegens allen in praktijk gebracht, zonder onderscheid in ras of maatschappelijke positie; jij hebt de achting en het respect van jouw metgezellen verdiend, van wie velen geen christen waren. Jij laat ons zo de weg van de dialoog zien die noodzakelijk is tussen mensen”[8].

De figuur van de catechist herinnert ons eraan hoe de evangeliserende zending eigen is aan iedere christen. De oproep om de Blijde Boodschap te verspreiden heeft, zoals de heilige Johannes Paulus II ons in herinnering brengt, zijn wortels in het doopsel zelf en hierop is de zending van de catechist gebaseerd.

“Als gedoopte, geroepen om de Blijde Boodschap te verspreiden, heb jij jouw geloof weten te delen en heb jij met zoveel overtuiging getuigd van Christus dat jij jouw metgezellen bent voorgekomen als een van die waardevolle gelovige leken die catechist zijn. Ja, zalige Isidorus, jij bent, ten volle trouw aan de beloften van jouw doopsel, waarlijk een catechist geweest, jij hebt edelmoedig gewerkt voor ‘de Kerk in Afrika en haar evangeliserende zending’”[9].

Het getuigenis van Isidorus zet ertoe aan om de figuur van de catechist uit te diepen, van wie de rol “bepalend is geweest en blijft bij de stichting en de uitbreiding van de Kerk in Afrika”[10]. De catechisten staan in het middelpunt van de geschiedenis van de Kerk in Afrika en haar missionaire succes.

In de ervaring van Isidorus kunnen wij zien hoe de catechisten bevoorrechte werkers kunnen zijn in het werk van inculturatie van de evangelische boodschap door deze te vertalen in de eigen taal en in de eigen omgeving. Daarom zijn zij “gespecialiseerde werkers, directe getuigen, onvervangbare verkondigers van het evangelie, die de basiskracht vormen van de christelijke gemeenschappen, vooral in de jonge Kerken”[11]. Zij hebben de zorg voor al degenen die het evangelie niet kennen, een zorg die Isidorus ertoe dreef zijn dorp te verlaten om zich naar een streek te begeven waar de christelijke boodschap nog onbekend was.

Deelname aan het Paasmysterie

Ise Boya, de schildwacht van Van Cauter, vertelt: “Het was een namiddag. De blanken hadden gegeten, toen Longange tegen mij zei: ‘Neem je geweer en ga Bakanja doden, dat dier van Mon Père’”[12].

Wij zijn begin februari 1909 op de boerderij van Ikili, waarheen Isidorus als huisknecht de heer Reynders was gevolgd.

Ise Boya zei tegen Isidorus, toen hij hem had gevonden, zich te melden bij de blanke.

“Blanke, waarom hebt u mij geroepen?”. Longange antwoordde woedend: “Zwijg! Ik ben je machinaties zat. Als je zo doorgaat, zullen allen je leugens horen, het doopsel willen en dan zal niemand meer willen werken... Op je knieën voor de chicotte[13]. Enkele dagen eerder had Isidorus al vijfentwintig slagen met de chicotte gekregen, omdat hij het scapulier niet wilde afdoen.

Isidorus verdedigde zich: “Waarom, blanke? Ik heb niets van je gestolen... ik heb nooit je vrouw aangeraakt... waarom wil je mij geselen?”.

“Zwijg, dier van Mon Père – raasde hij –. Ik sla je, omdat je de gebeden van Mon Père en al die idiote dingen aan mijn arbeiders leert, aan mijn jongeren en ook aan de bewoners van het dorp. Als je niet daarmee ophoudt, zal niemand meer hier bij mij willen werken vanwege de verhalen van Mon Père[14]. “Longange beval mij toen: ‘Laat hem de chicotte voelen’ – zo gaat Ise Boya verder in zijn getuigenis –. Maar ik antwoordde: ‘Dat kan ik niet, mijn arm doet pijn’. ‘Ga Bongele zoeken’, zei hij tegen mij”[15].

Bij de komst van Ise Boya en Bongele rukte Van Cauter het scapulier van de hals van Isidorus. Hij gooide het naar zijn hond die het stukbeet. Vervolgens gaf hij Bongele de verharde chicotte, die gerepareerd was met twee gedraaide spijkers, en hij beval Ise Boya en Mputu, de chef-kok, Isidorus op de grond vast te houden. Van Cauter-Longange, Lomane-Reynders en Mabilu-Giret, beheerder van de boerderij Bongila, waren bij de scène aanwezig, terwijl ze op de veranda koffie zaten te drinken[16].

Terwijl Bongele sloeg, brulde Van Cauter hem nog harder ter slaan. Isidorus kreeg tussen de honderdvijftig en tweehonderdvijftig slagen. De spijkers scheurden zijn vlees in stukken. Overal stroomde bloed.

De gevolgen van deze geseling waren tragisch. Isidorus kon zonder steun niet meer rechtstaan. Hij werd gedurende drie dagen geboeid opgesloten in de droogkamer van de rubber. Uit angst voor een inspectie door de directeur van de SAB zei Van Cauter tegen Reynders hem met zich mee naar Isoko te nemen. Maar Isidorus slaagde erin zich voortslepend te vluchten en zich in een struikgewas te verbergen.

De inspecteur van de plantages, Dörpinghaus, die daar langskwam, zag hem uit zijn schuilplaats te voorschijn komen met zijn schouders vol diepe en etterende wonden. Hij nam hem bij zich en bracht hem naar Isongu. Vervolgens werd Isidorus overgebracht naar Busira bij zijn neef Boya.

Hier kon hij een missionaris ontmoeten die hem de sacramenten toediende en van hem de vergeving voor de beulen in ontvangst nam. De zorgen van zijn vrienden konden de infectie, die steeds erger werd, niet stoppen. Ook stervend had hij nog de kracht zijn hele geschiedenis te vertellen aan de trappist p. Dubrulle.

Op 15 augustus 1909 stierf hij na in de laatste dagen op een onbeschrijfelijke wijze geleden te hebben met het scapulier om zijn hals en de rozenkrans in zijn handen[17].

Het geval van Isidorus is emblematisch voor de dramatische gebeurtenissen die verbonden zijn met de intensieve uitbuiting van het Kongolese volk in die historische situatie. Enkele publicaties uit die tijd spreken van “rood rubber” en van “nieuwe slavernij”[18].

Dörpinghaus spreekt in zijn boek over systemen van intensieve uitbuiting van de bevolking, dat werd betaald met belachelijke salarissen en werd uitgebuit tot aan de fysieke en morele uitputting toe[19].

De geschiedenis van de evangelisatie van dit gedeelte van Afrika is ook nauw verbonden met de droevige bladzijde van onderdrukking, uitbuiting en genocide van arme en weerloze bevolkingen. Bakanja is de icoon van de zoveel slachtoffers waarvan men nooit de naam zal kennen.

Zijn zaligverklaring heeft men laten samenvallen met een gebeurtenis die het hele continent bevraagt: de bijzondere vergadering voor Afrika van de bisschoppensynode, van 10 april tot 8 mei 1994 in Rome gehouden.

“Deze synode, gewild door de Heilige Vader als antwoord op een zo vaak door het Afrikaanse episcopaat geuite wens om aan de Kerken van Afrika en heel Afrika de gelegenheid te geven om bij de dageraad van het derde millennium voor een herinterpretatie van de vaak tragische geschiedenis van ons continent en er alle lering uit de trekken”[20].

Zijn martelaarschap krijgt een verlossende boodschap. Met zijn dood is zijn deelname aan het Paasmysterie van Christus, aan het hoogste werk van zijn liefde totaal geweest[21]. Met zijn offer heeft hij om zo te zeggen in zich al het lijden opgenomen door het in zijn persoon te verenigen met het offer van Christus zelf, en wel zo dat deze bladzijde van bloed en lijden van een volk intussen een fundamenteel onderdeel is geworden van de geschiedenis van de evangelisatie van deze gebieden.

“En Bakanja, die ‘anonymus als het ware’, spreekt tot ons. Hij zegt tegen ons: ‘Hier ben ik, een slachtoffer van het barbaarse kolonialisme, onder duizenden andere slachtoffers. Ik heb vernedering en marteling geleden... zoals zoveel anderen... En zoals het geval was voor zoveel anderen, was degene die mij heeft doodgeranseld, een broeder van mijn ras...Ik en zoveel anderen die nu in de heerlijkheid van de Heer zijn, wij zijn gestorven, omdat wij ieder compromis met het kwaad en de onderdrukking hebben geweigerd’”[22].

De evangeliserende zending van Bakanja is vlees geworden in de structuur van de historisch-culturele omstandigheden van zijn tijd. Isidorus heeft de wezenlijke kern van het geloof doorgegeven in de maatschappelijk-culturele context waarin hij leefde, en daarbij door zijn getuigenis van vrijheid en waardigheid een gepland en strak gestructureerd systeem van onderdrukking van de zwaksten in de problemen gebracht.

“In een Afrika dat op een zo treurige wijze beproefd wordt door de strijd tussen bevolkingsgroepen, – zo besluit de heilige Johannes Paulus II – is jouw lichtend voorbeeld een uitnodiging tot eendracht en toenadering tussen de kinderen van dezelfde hemelse Vader”[23].

Achille Romani

 


__________________________

[1] Vgl. Summarium E.D., 51.

[2] Vgl. Summarium E.D., 38.

[3] Vgl. Summarium E.D., 18.

[4] Mon Père was de naam die de christenen gaven aan de missionarissen. Van Cauter kende volgens een toen gebruikelijke gewoonte een pejoratieve betekenis aan de uitdrukking toe, daarmee alle aspecten van de christelijke godsdienst bedoelend.

[5] Vgl. Summarium E.D., 10.

[6] Vgl. Summarium E.D., 54.

[7] Vgl. Summarium E.D., 60.

[8] Johannes Paulus II, Homilie gedurende de plechtige..., 998.

[9] Johannes Paulus II, Homelie gedurende de plechtige..., 997.

[10] Johannes Paulus II, apostolische exhortatie Ecclesia in Africa, 91.

[11] Johannes Paulus II, encycliek Redemptoris missio, 73.

[12] Summarium E.D., 64.

[13] De chicotte, een zweep van olifantshuid, was een straf die door de gerechtelijke autoriteiten, maar nooit door privé-personen, kon worden verordend. Hoogstens konden vijfentwintig slagen per dag worden opgelegd. Deze regel werd echter in het geheel niet gerespecteerd door de functionarissen van de SAB.

[14] Summarium E.D., 65.

[15] Summarium E.D., 65-66.

[16] Vgl. D. Vangroenweghe, Bakanja Isidore…, 83-84.

[17] Vgl. R. Palazzi, Bakanja Isidoro..., 9.

[18] Vgl. Informatio, 10.

[19] Vgl. W.T. Dörpinghaus, Deutschlands Rechten und Pflichten gegenüber dem Belgischen Kongo, Reimer Verlag, Berlijn 1909, 67-74, cit. in Informatio 10. Een beroemde Belgische ontdekker heeft de centrale regering van Kongo gewezen op een bericht, ontleend aan de “Kölnische Zeitung”, volgens hetwelk er aan de commissaris van het Evenaar-district, Léon Fiévez, op één dag 1308 handen van inboorlingen gebracht zijn die niet de door de wet voorwaarden voorgeschreven hadden gerespecteerd... Men kan geen berekening maken van de omvang van de praktijk van het amputeren van de handen en de standrechtelijke executies, daar Leopold II veel documenten die de uitbuiting van “zijn” Kongo betroffen, liet vernietigen, vgl. D. Vangroenweghe, Bakanja Isidore..., 146-148.

[20] I. Matondo Kua Nzambi, Le bienheureux Isidore Bakanja. La voix qui crie dans la forêt, Éditions L’Épiphanie, Kinshasa 1994, 17.

[21] Vgl. Johannes Paulus II, Homilie gedurende de plechtige..., 998.

[22] I. Matondo Kua Nzambi, Le bienheureux Isidore Bakanja..., 28.

[23] Vgl. Johannes Paulus II, Homilie gedurende de plechtige..., 998.

 

(Vertaald uit het Italiaans door Drs.H.M.G. Kretzers)

 

 

28/09/2021