Een bladzijde uit het dagboek van Etty Hillesum

 

Toen ik het dagboek las van Etty Hillesum, een jonge Joodse vrouw, op 30 november 1943 gestorven in het concentratiekamp Auschwitz, nadat zij op 7 september van hetzelfde jaar daarheen was gedeporteerd, hebben mij enkele overwegingen van haar getroffen, die zij op 12 juli 1942 als morgengebed heeft opgeschreven.

Dit gebed wil in zijn eenvoud een poging zijn antwoord te geven op de grote en complexe vraag: “Hoe kan men na Auschwitz in God geloven?”, een vraag die wordt opgeroepen door het ervaren van de stilte van God ten opzichte van de uitroeiing van zijn kinderen door de nazi’s.

De aanval van het nazisme op de Joden heeft immers ook de verhouding van de mens met de trascendentie getroffen: hij heeft het denken aan een tegelijk goede en almachtige God bijna heiligschennend gemaakt, aan een God die hoe dan ook de geschiedenis ten goede keert en naar een zekere bevrijding leidt, zoals dat in het verre verleden in Egypte en Babylonië was gebeurd.

Met dit gebed tracht Hillesum de termen van het probleem om te draaien en geeft zij ons een diepgaande les: Etty is in staat te spreken over de zwakheid van God in werkelijk verrassende bewoordingen. En het omdraaien van de kwestie is nu juist hierin gelegen: de mens is God binnen in zichzelf aan het doden en het is de mensheid die Hem moet redden.

Ik citeer hier het gedeelte dat voor ons van belang is, van de bladzijde uit het dagboek op 12 juli 1942.

Een nieuwe dageraad begon in het hart van deze jonge vrouw. Een droevige dageraad, echter, zoals alle die eraan zijn voorafgegaan, met zovele vraagtekens aan de horizon en geen enkele zekerheid, behalve die van de uitroeiing van het Joodse volk, die steeds dichterbij komt.

“Het zijn bange tijden, mijn God. Vannacht was het voor het eerst, dat ik met brandende ogen slapeloos in het donker lag en er vele beelden van menselijk lijden langs me trokken. Ik zal je een ding beloven, God, een kleinigheidje maar: ik zal mijn zorgen om de toekomst niet als evenzovele zware gewichten aan de dag van heden hangen, maar dat kost een zekere oefening. Iedere dag heeft nu aan zichzelf genoeg. Ik zal je helpen God, dat je het niet in mij begeeft, maar ik kan van te voren nergens voor in staan. Maar dit éne wordt me steeds duidelijker: dat jij ons niet kunt helpen, maar dat wij jou moeten helpen en door dat laatste helpen wij onszelf. En dit is het enige, wat we in deze tijd kunnen redden en ook het enige, waar het op aankomt: een stukje van jou in onszelf, God. En misschien kunnen we ook er aan meewerken jou op te graven in de geteisterde harten van anderen. Ja, mijn God, aan de omstandigheden schijn jij niet al te veel te kunnen doen, ze horen nu eenmaal ook bij dit leven. Ik roep je er ook niet voor ter verantwoording, jij mag daar later ons voor ter verantwoording roepen. En haast met iedere hartslag wordt het me duidelijker: dat jij ons niet kunt helpen, maar dat wij jou moeten helpen en dat we de woning in ons, waar jij huist, tot het laatste toe moeten verdedigen”[1].

Etty Hillesum, die geen christen was, ook al las zij graag de Belijdenissen van Augustinus en had zij de complete Bijbel van het Oude en Nieuwe Testament, helpt ons nog beter het christelijk mysterie te begrijpen van een God die mens wordt en zijn Zoon op het kruis offert voor het heil van de mensen.

Het mysterie van de menswording openbaart heel de broosheid van God, die klein en weerloos wordt. Maar uit deze kleinheid, uit deze broosheid wordt een kracht geboren die duizend maal groter is, bevestigd door de woorden van Jezus: “Weest niet bevreesd voor hen die wel het lichaam kunnen doden maar niet de ziel” (Mat. 10, 28) en “Weliswaar leeft gij in de wereld in verdrukking, maar hebt goede moed: Ik heb de wereld overwonnen” (Joh. 16, 33). En zo zijn menswording en verrijzenis één werkelijkheid: van de grot van Bethlehem tot de grot van het graf legt God zich in onze handen. Onze ziel is het verblijf van God, die God die wij te allen tijde moeten verdedigen.

Ook vandaag, immers, hoewel in veranderde historische omstandigheden, hoort men vaak de eis dat God ten overstaan van het steeds meer heersende kwaad tussenbeide moet komen om alle problemen van de mensheid op te lossen door de geweldadigen te vernietigen, ieder spoor van haat en ellende uit de weg te ruimen en op een magische wijze iedere vorm van ongerechtigheid te doen verdwijnen. En als Hij dat systematisch niet doet, dan gelooft men niet meer in Hem.

Of men ontkent zijn bestaan door de vraag te herhalen die de heilige Augustinus zich al stelde: “Si Deus est, unde malum?” (“Als God bestaat, waar komt dan het kwaad vandaan?”).

Maar God heeft zich in onze handen gelegd en vraagt aan ons om verdedigd en beschermd te worden. Dat is de christelijke boodschap en ook die van Etty Hillesum.

Op een keer had gedurende de mis uit dankbaarheid voor de 60e verjaardag van een huwelijk, die werd gevierd in de parochie van Villalunga (bisdom Reggio Emilia-Guastalla, Italië), waar ik pastoor ben geweest, de echtgenoot, die als jonge man timmerman was, gewild dat samen met de offerande en andere gaven een klein model in triplex van een engeltje, in pasteltinten en allang verkleurd, naar het altaar werd gebracht. Het was het enige stuk dat was overgebleven van de kerststal die hij samen met enkele vrienden in de periode van zijn deportatie naar Duitsland maakte in de kerstnacht 1944, een jaar na de dood van Etty Hillesum.

Ook dit spreekt ons van een broze God die zich in de handen van de mens legt en hem vraagt in de wereld te worden gedragen, opdat Hij groeit in iedere mens van goede wil.

Op de laatste postkaart, die zij op 7 september 1943 uit de trein wierp die haar van het doorgangskamp Westerbork naar haar laatste bestemming bracht, had Etty geschreven: “Wij hebben zingende dit kamp verlaten”. Op 30 november daarna werd zij in Auschwitz gedood.

Ondanks dat er zeer veel jaren zijn voorbijgegaan sinds de ontzaglijke tragedie van de Holocaust, blijft de vraag die wij ons aan het begin hebben gesteld, meer dan ooit open: “Hoe kan men in God geloven na Auschwitz?”. Wanneer wij met de geallieerde troepen de kampen binnenkomen en de gruweldaden zien waarmee de mensheid zich heeft bezoedeld, dan blijft ons niets anders dan te knielen. En als ons enerzijds het uitgestrekte en koude kamp, het theater van het doden van God in iedere verachte, gehoonde, gedode broeder en zuster, brengt tot de meest volslagen moedeloosheid, die ons zelfs ertoe kan brengen tot het formuleren van die droevige vraag, dan doet het anderzijds een andere uit ons hart opwellen, die meer dan een vraag een zekerheid vol vertrouwen is: “Hoe kan de mens na Auschwitz het zonder God stellen?”.

Sandro Puliani

 

 

______________________

[1] Etty. De nagelaten geschriften van Etty Hillesum 1941-1943. Onder redactie van K. A. D. Smelik, tekstverzorging door G. Lodders en R. Tempelaars, Uitgeverij Balans, Amsterdam 31991, 516-517.

 

(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)

 

 

18/09/2022