Benedetta Bianchi Porro

Deel twee

Het leven van de zalige Benedetta Bianchi Porro laat ons zien dat de heiligen de mystieke toppen van de heiligheid hebben bereikt door het aanvaarden van heel de moeite van het eigen mens zijn. In een socio-culturele context waarin het lijden wordt uitgebannen, biedt Benedetta ons in haar lijden een ontroerende boodschap: “Wat een wonderbaarlijk iets is het leven (ook in zijn verschrikkelijkste aspecten); mijn ziel is hierom vol dankbaarheid en liefde jegens God[1].

 

Separador Frase Papa

 

“Mijn boot is broos...”

Het lezen van haar dagboek en brieven geeft ons de menselijkheid terug, de moeite van de strijd, beleefd door Benedetta ten opzichte van haar ziekte.

Met 17 jaar bracht de doofheid van Benedetta, het eerste belangrijke teken van haar verschrikkelijke ziekte, haar ertoe zich bewust te worden van haar lot. De eerste reactie was het afwijzen van haar doofheid, die haar verhinderde te leven zoals alle jongeren en haar dromen te verwezenlijken, in de hoop een oplossing te vinden[2].

Benedetta begon toen een heldhaftige loop tegen de tijd om zo snel mogelijk haar studie op het lyceum te beëindigen en zich aan de universiteit in te schrijven.

Ten opzichte van deze gebeurtenis van de doofheid vond er in haar een menselijke rijping plaats die haar nog meer richtte op de grootheid van het innerlijk leven. Zoals zij aan haar vriendin Anna schreef, reageerde zij op de ziekte, zeggend dat zij altijd nog zal kunnen luisteren naar de stem van haar ziel[3].

Het was een beslissende stap, een eerste “bekering”, maar Benedetta kon zich niet bevrijden van de angst ten aanzien van de toekomst, die zich zonder liefde voor haar opende en waarvan zij misschien voelde dat die zonder werken en doeltreffendheid was.

De ontdekking van het innerlijk leven kon voor Benedetta niet voldoende zijn:

“Als het innerlijk leven ontbreekt aan de levende tegenwoordigheid van God, dan is de grootheid ervan te koud voor een ziel als die van Benedetta, gemaakt voor de vriendschap en de liefde”[4].

Het was een ogenblik van zeer harde beproeving die Benedetta in de brief aan haar vriendin Anna beschreef als een storm:

“Jouw bemoediging en kalme en serene woorden bedaren de stormen van mijn hart. Ook ik dorst naar vrede en verlang ernaar de golven van de zee te verlaten om een toevlucht te vinden in de rust van een haven. Maar mijn boot is broos, mijn zeilen zijn gescheurd door de bliksem, mijn riemen gebroken en de storm sleept mij ver met zich mee”[5].

Het gevaar dat Benedetta op dat ogenblik dreigde, was het idee van de nutteloosheid van de strijd. Zij zal nooit meer een zo dramatische bladzijde schrijven:

“Weet je, Anna, het komt mij voor dat ik mij in een oneindig en monotoon  moeras bevind en langzaam, langzaam wegzink, zonder pijn of spijt zo onbewust en onverschillig jegens wat er zal gebeuren, wanneer ook het laatste stuk hemel zal verdwijnen en de modder zich boven mij zal sluiten”[6].

De ziekte was dus niet het ernstigste gevaar voor Benedetta. Het grote risico was voor haar de scepsis, de morele en religieuze zelfmoord. Zij schreef verder:

“Ik ben steeds dommer, steeds onrustiger. Soms vind ik een evenwicht en ben ik vol liefde en begrip voor allen, soms benijd ik de onbewustheid (maar is die werkelijk zo?) van de anderen en voel ik mij dom, ik die van het leven zoek wat er niet is en waarvan ik zelfs niet weet wat dat is, maar zeer vaak ben ik vol twijfels, verval ik tot de diepste scepsis”[7],

“Benedetta staat dus aan de rand van de afgrond en alleen een instinctieve angst doet haar terugdeinzen ... ‘Ik verlang zo naar de waarheid, ik verlang alleen maar dit, maar niemand weet er iets van. Ik ben op een verkeerde weg, dat is wat ik alleen merk’”[8].

God onttrekt haar aan een leven zonder geloof en zonder liefde. Haar voornemen werd “het verlangen met alles opnieuw te beginnen en alles en allen voor altijd lief te hebben”[9]. Die solidariteit met alles en allen en de vreugde zijn vanaf het begin tot het einde van haar weg de meest constante kenmerken van haar spiritualiteit.

Als de doofheid haar op een dramatische wijze geopend had voor het innerlijk leven, tegelijkertijd maakte deze haar weg naar de heiligheid mogelijk.

Deze weg, begonnen in 1953, zal via talrijke fases het toppunt van haar verandering en heiligheid bereiken in de laatste maanden van haar leven, van februari 1963 tot 23 januari 1964, de dag van haar dood.

De “broze boot” van Benedetta wordt, hoewel verwoest en vernietigd door de ziekte, een bron van onuitputtelijke geestelijke energie. De jonge en fijngevoelige Benedetta zal in de totaliteit van haar bekering het symbool van de kracht en de macht van God zijn.

“De zon blijft achter de wolken schijnen”...

“Wat het meest verrast in het leven van Benedetta is dat haar heiligheid niet het nadrukkelijke en exclusieve kenmerk van slachtoffer heeft, zoals gebeurt bij zoveel anderen die God langs dezelfde wegen heeft geleid; haar weg is een weg van vrijheid, opening voor de liefde, vreugde”[10].

Dit is het meest indrukwekkende van Benedetta: de liefde voor het leven die heel het dagboek van haar kinderjaren en jeugd kenmerkt, verdwijnt niet, maar wordt oneindig gedurende haar ziekte, wanneer zij uitroept: “Het leven in zich en op zich lijkt mij een wonder”[11].

Een liefde voor het leven, ook in zijn verschrikkelijkste aspecten, ook wanneer zij niet wordt gevoed door de illusie van de genezing. Haar vreugde komt van het Kruis van Christus, van de aanschouwing van het gelaat van de Verrezene:

“God geeft het Kruis en dan de Verrijzenis. Bij iedere beproeving kijkt Hij naar ons, spreekt Hij tot ons, troost Hij ons. En ik denk dat alles is zoals de lente die ontluikt, opbloeit, geurt na de kou en de vorst van de winter”[12].

Op deze weg naar de vreugde in het leven van Benedetta heeft de vriendschap een bevoorrechte plaats.

Men denke maar aan de beslissende ontmoeting met Nicoletta, die Benedetta zelf haar geestelijke moeder noemt: “Nicoletta, hoe houd ik van jou, omdat je mij ‘de gave van het geloof’ hebt gegeven!”[13].

Het is inderdaad het beslissende ogenblik: het is 1957, het jaar van de echte bekering van Benedetta, waarover wij het hierboven hebben gehad, wanneer zij ontdekt dat het christendom niet een leer is, de weg naar de meest gezochte waarheid, maar een persoonlijke ontmoeting met God.

De kennis van Nicoletta opent het leven van Benedetta voor de beslissende bekering tot de liefde en zij schrijft: “Hoe heidens is echt de moraal waarmee ik altijd alles heb gemeten ... en hoe moeilijk is het nu voor mij er mij van te bevrijden en te leven zoals ik zou willen!”[14].

Nicoletta heeft Benedetta geholpen om haar hart, waarin het geloof reeds was ontstoken, te verlichten; zij heeft haar het omhulsel helpen verbreken dat haar verhinderde in de vrijheid van de liefde te vliegen.

Nu accepteert Benedetta niet alleen de werkelijkheid, maar zij wordt pure overgave. Ook de zonden – “de wolken van de ziel: zij verduisteren de zon, zij verduisteren God”[15] – lijken haar niet meer een onoverkomelijke grens. Ook al erkent zij dat zij “armzalig, middelmatig en machteloos” is, zij heeft vertrouwen in de barmhartigheid van God en zegt:

“En hoe zou ik in het tegenovergestelde geval mijzelf en de werkelijkheid van alle dagen kunnen verdragen? Groot is zijn barmhartigheid: op Hem vertrouw ik, in Hem leef ik, tot Hem verhef ik mijn hosanna”[16].

Ook als de wolken dichter worden aan de hemel van haar ziel, zegt Benedetta met geloof:

“Pijn en liefde ... hebben voor Hem waarde, ook als wij het niet zien. De zon blijft schijnen achter de wolken en de regenboog komt na het onweer”[17].

Antonietta Cipollini

(Wordt vervolgd)

 

 

_____________________

[1] B. Bianchi Porro, A Maria Grazia Bolzoni (19 aprile 1958), in Scritti completi, 491.

[2] “Vanavond ben ik zo bedroefd en denk ik dat ik er niet in zal slagen heel mijn leven zo doof weerstand te bieden: ik moet zo spoedig mogelijk een geneesmiddel, wat het ook is, vinden”, B. Bianchi Porro, Diari (1o febbraio 1954), in Scritti completi, 403.

[3] Vgl. B. Bianchi Porro, Ad Anna Laura Conti (20 ottobre 1954), in Scritti completi, 453.

[4] D. Barsotti, Il cammino verso la luce..., 7.

[5] B. Bianchi Porro, Ad Anna Laura Conti (26 gennaio 1953), in Scritti completi, 442-443.

[6] B. Bianchi Porro, Ad Anna Laura Conti (26 gennaio 1953), in Scritti completi, 443-444.

[7] B. Bianchi Porro, Ad Anna Laura Conti (28 aprile 1953), in Scritti completi, 445.

[8] D. Barsotti, Il cammino verso la luce..., 8.

[9] B. Bianchi Porro, Diari (20 marzo 1953), in Scritti completi, 390.

[10] D. Barsotti, Il cammino verso la luce...,12.

[11] B. Bianchi Porro, A Maria Grazia Bolzoni (21 febbraio 1960) in Scritti completi. 517.

[12] B. Bianchi Porro, A Padre Gabriele Casolari (novembre 1963), in Scritti completi, 669.

[13] B. Bianchi Porro, A Nicoletta Padovani (30 agosto 1962), in Scritti completi, 569; vgl. ook G. Biffi, Approccio teologico al mistero di Benedetta Bianchi Porro, 1998, 5-6, op www.beatabenedetta.org/wp-content/uploads/2022/02/Biffi-1998.pdf

[14] B. Bianchi Porro, A Nicoletta Padovani (9 ottobre 1960), in Scritti completi, 534.

[15] B. Bianchi Porro, Pensieri (30 ottobre 1961), in Scritti completi, 415.

[16] B. Bianchi Porro, A Nicoletta Padovani (9 ottobre 1960), in Scritti completi, 534.

[17] B. Bianchi Porro, A Maria Grazia Bolzoni (14 giugno 1961), in Scritti completi, 554.

 

(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)

 

 

15/03/2026