Bij het samenvatten van het christelijk gebeuren zegt de heilige Paulus dat het heil voortkomt uit het aanroepen van de naam van de Heer.

Hij voegt daaraan toe dat niemand Hem kan aanroepen als hij eerst niet heeft geloofd, dat niemand kan geloven als er geen verkondiging is geweest, en er geen verkondiging kan bestaan zonder een opdracht. De conclusie van de heilige Paulus is duidelijk: het geloof komt van hetgeen men hoort (fides ex auditu), en wat men hoort, komt van het woord van Christus (vgl. Rom. 10, 14-15.17).

Zonder de verkondiging van het Woord kan het geloof inderdaad niet bestaan, aangezien het voortkomt uit het horen. Het is in wezen ‘gehoorzaamheid aan een Woord dat men heeft gehoord’. Er bestaat een relatie tussen geloof-horen-woord, die onontbeerlijk is en die tijden en culturen overstijgt.

Horen, zo merkte de toekomstige paus Ratzinger op, ‘zou op het eerste gezicht iets kunnen lijken dat nauw verbonden is met de tijd, derhalve ook gevoelig voor verandering; men zou bijna geneigd zijn er alleen maar het resultaat in te zien van een heel bepaalde sociologische situatie, zodat op zekere dag een andere formulering ervan in de plaats zou kunnen komen: “het geloof komt voort uit het lezen” of “uit het reflecteren”. In werkelijkheid (...) wordt ons in de formulering “het geloof komt voort uit het gehoord hebben” een structurele, blijvende formulering aangereikt van wat hier gebeurt. (...) Het geloof bestaat immers niet in het feit dat het een overdenking van het denkbare is; het komt voort uit het opnemen van wat ik niet op eigen initiatief heb gedacht.’[1]

De dogmatische constitutie Dei Verbum (‘Het woord van God’), die het Tweede Vaticaans Concilie ons heeft nagelaten als erfenis die opnieuw ontdekt en uitgediept moet worden, vooral in dit Jaar van het Geloof, gaat nu juist uit van het ‘met heilige eerbied beluisteren van het woord van God.’

In zijn homilie bij de opening van het Jaar van het Geloof, dat, samenvallend met de vijftigste verjaardag van de opening van het Tweede Vaticaans Concilie, werd afgekondigd, nodigde paus Ratzinger de gelovigen uit zich deze tijd als het ware voor te stellen als een ‘pelgrimstocht in de woestijnen van de hedendaagse wereld, waarbij men alleen maar moet meenemen wat wezenlijk is: geen stok, geen reiszak, geen voedsel, geen geld, geen dubbele kleding – zoals de Heer tot de apostelen zegt, wanneer Hij hen uitzendt (vgl. Luc. 9, 3) – maar het evangelie en het geloof van de Kerk, waarvan de documenten van het Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie de schitterende uitdrukking zijn.’[2]

De geestelijke woestijnvorming waarover de emeritus paus sprak, is goed waarneembaar in onze Noord-Europese streken, waar de christelijke gemeenschap, zoals de Belgische bisschoppen in hun laatste pastorale brief ‘Christen zijn in deze tijd’ schreven, wordt geconfronteerd met diepgaande veranderingen en waar het evangelie en het geloof vreemd zijn geworden aan de huidige cultuur. Men heeft het verleden intussen achter zich gelaten en het lijkt dat men nog geen zicht heeft op de toekomst.

Daarom is het juist de moeite waard, zo voegden de herders hieraan toe, in deze tijd te trachten de oorspronkelijkheid en de schoonheid van het geloof en het evangelie opnieuw te ontdekken en uitgaande daarvan de volheid van betekenis te gaan zien die zij aan het leven van de mens kunnen geven.

De gebeurtenis van dit Jaar van het Geloof biedt ons dus de gelegenheid de lezers deze tekst van Emilio Grasso, Luisteren naar Gods Woord, met als ondertitel Kanttekeningen bij de dogmatische constitutie Dei Verbum van het Tweede Vaticaans Concilie, aan te bieden.

‘Wat betekent het vandaag christen te zijn?’ vroegen zich de Belgische bisschoppen af.

In wezen is het dezelfde vraag die de concilievaders zich stelden en waarop de eerste woorden van Dei Verbum (‘Het woord van God met heilige eerbied beluisterend’) een antwoord geven, dat van fundamenteel belang wordt voor hoe de Kerk zichzelf ziet, en om te begrijpen wat het voor ons betekent christen te zijn, ook in deze tijd waarin een diepe geloofscrisis de christelijke gemeenschappen treft.

Deze crisis werd op een directe wijze gevoeld door een spectaculaire vermindering van het aantal mensen die naar de kerk gaan. Peilingen en enquêtes, gehouden door katholieke academische instellingen, laten een algemene achteruitgang zien in het vertrouwen ten opzichte van de Kerk.

Om deze situaties het hoofd te bieden zoekt men dan naar de meest verschillende middelen om ‘het goed te maken’ door te trachten zich te voegen naar het ‘gevoelen’ van de mensen, aan hun verwachtingen te voldoen, zich ‘aan te passen’ en iets ‘uit te vinden’ dat hen weer naar de halflege kerken kan lokken. Men put zich uit in een wanhopig zoeken naar middelen en instrumenten die steeds nutteloos en meestal schadelijk blijken te zijn.

En toch biedt Dei Verbum ons de eenvoudige weg die wij juist vanwege de eenvoud ervan vaak niet in overweging willen nemen: ‘Het woord van God met heilige eerbied beluisterend en met vrijmoedigheid verkondigend.’

Dit is volgens het Concilie de wortel van de kerkgemeenschap, de weerspiegeling van de trinitaire gemeenschap, en de natuur zelf van de Kerk.

Men komt niet uit de geloofscrisis, zoals die welke ons Europa treft, door uit te gaan van het eigen denken, van de eigen overtuiging of mening, van het eigen gevoel of de eigen gevoeligheid, maar door weer ‘eerbiedig’ het woord van God te beluisteren, dat ons vragen stelt, dat iedere menselijke werkelijkheid en iedere cultuur te boven gaat.

Emilio Grasso nodigt ons daarom uit, daarbij de constitutie van het Concilie doornemend, de fundamentele sleutelbegrippen te ontdekken om de Schrift te lezen en daarin het woord van de levende God te vinden, het enige dat een volle betekenis geeft aan het bestaan van de mens, een woord dat niet een abstracte waarheid, noch een theorie is, maar vóór alles een ‘persoon’, Jezus Christus, het mens geworden woord van God.

Dan worden de klassieke thema’s behandeld die in verband staan met het woord van God: de openbaring, de inspiratie, de heilige overlevering, de interpretatie van de Schrift, het belang van het Oude en het Nieuwe Testament en de eenheid ervan, de Schrift in het leven van de Kerk.

Hoe moeten wij dan het woord van God lezen en hoe moeten wij het begrijpen?

Paus Ratzinger stelt dat ‘een juiste interpretatie van de Schrift veronderstelt dat wij haar daar lezen waar zij geschiedenis heeft gemaakt en nog steeds geschiedenis maakt, waar zij geen getuigenis is van het verleden, maar levende kracht van het heden: in de Kerk van de Heer en met haar ogen, de ogen van het geloof. Gehoorzaamheid jegens de Schrift is in deze zin altijd ook gehoorzaamheid jegens de Kerk. Zij wordt abstract, indien men de Kerk losmaakt van de Bijbel of als men probeert deze zelfs tegen haar uit te spelen. De Schrift die leeft in de levende Kerk, is ook vandaag een actuele kracht van God in de wereld. Een kracht die een onuitputtelijke bron van hoop blijft alle generaties door.’[3]

Daarom, zo zegt Dei Verbum zelf, heeft de Kerk nooit nagelaten ‘vooral in de heilige liturgie voortdurend het brood des levens te nemen van de tafel van het woord van God en van het lichaam van Christus en dit aan te bieden aan de gelovigen’ (Dei Verbum, 21).

De Kerk breekt dagelijks voor ons het brood van het Woord en wij ontvangen het met erkentelijkheid en liefde uit haar handen als een gave, aangezien het Christus zelf is die ‘spreekt, wanneer de heilige schriften in de Kerk gelezen worden’ (Sacrosanctum Concilium, 7).

Dit zou nu juist de grootste eerbied en de grootste aandacht moeten doen ontstaan om deze gave die ons wordt geschonken, niet te manipuleren, te amputeren of naar believen te veranderen. De schrijver van Luisteren naar Gods Woord herinnert ons eraan dat de openbaring, waarvan de Schrift getuigt, zich niet ten doel stelt de mens een zeker aantal waarheden over God te leren, zij wil hem niet een boodschap overhandigen, een wet, een weg om te volgen: zij openbaart hem het innerlijke leven van God dat zich voor ons ten volle in Christus Jezus kenbaar heeft gemaakt.

Zijn persoon is het die de Kerk iedere dag ontmoet en die zij verkondigt: ‘Wat wij gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij ook u, opdat gij gemeenschap moogt hebben met ons. En onze gemeenschap is er een met de Vader en met Jezus Christus, zijn Zoon’ (...) en opdat ‘de hele wereld, door te luisteren, moge geloven in de boodschap van het heil, door te geloven, hopen, en door te hopen, liefhebben’ (Dei Verbum, 1).

Giuseppe Di Salvatore

 

 

_________________________

[1] J. Ratzinger, Introduzione al cristianesimo. Lezioni sul simbolo apostolico. Queriniana, Brescia 1969, 56-57.

[2] Benedictus XVI, Homilie, 11 oktober 2012.

[3] J. Ratzinger, Cantate al Signore un canto nuovo. Saggi di cristologia e liturgia. Jaka Book, Milano 1996, 66.

 

 

Emilio Grasso, Luisteren naar Gods Woord. Kanttekeningen bij de dogmatische constitutie Dei Verbum van het Tweede Vaticaans Concilie, Altiora Averbode, 2013, 104 blz.

 

 

INHOUDSOPGAVE

 

 

Ten geleide

7

Inleiding

13

1. Voorwoord

17

I. De openbaring

23

2. Aard en voorwerp van de openbaring

23

3. De voorbereiding van de evangelische openbaring

29

4. Christus, voltooier van de openbaring

30

5. De openbaring in geloof te aanvaarden

37

6. De geopenbaarde waarheden

45

II. Het doorgeven van de goddelijke openbaring

49

7. De apostelen en hun opvolgers, verkondigers van het evangelie

49

8. De heilige overlevering

55

9. Onderlinge verhouding tussen heilige overlevering en Heilige Schrift

59

10. De verhouding van de heilige overlevering en Heilige Schrift tot de gehele Kerk en het leraarsambt

60

III. De goddelijke inspiratie van de Heilige Schrift en de  Schriftverklaring

65

11. Het feit van de inspiratie en de waarheid van de Heilige Schrift

65

12. Hoe de Heilige Schrift moet worden verklaard

66

13. Het neerdalen van God

73

IV. Het Oude Testament

75

14. De heilsgeschiedenis opgetekend in de boeken van het Oude Testament

75

15. De betekenis van het Oude Testament voor de christengelovigen

79

16. De eenheid van beide testamenten

81

V. Het Nieuwe Testament

83

17. Verhevenheid van het Nieuwe Testament

83

18. Apostolische oorsprong van de evangelies

84

19. Historische aard van de evangelies

85

20. De overige geschriften van het Nieuwe Testament

87

VI. De Heilige Schrift en het leven van de Kerk

89

21. De Kerk vereert de heilige geschriften

89

22. Nauwkeurige vertalingen worden aanbevolen

90

23. Apostolische taak van de katholieke leraars

93

24. Het belang van de Heilige Schrift voor de theologie

94

25. De lezing van de Heilige Schrift wordt aanbevolen

95

26. Besluit

95