Een analyse van de hedendaagse mens
Ten overstaan van de zorgen die zoveel maatschappelijke verschijnselen en gedragingen baren, stelt men zich vragen over de kenmerken en de tendensen van de huidige maatschappij, over deze wereld van ons, die lijkt af te gaan op zelfvernietiging en waarin niet allen zich kunnen vinden.
Dan tracht men te begrijpen: in welke maatschappij leven wij? Waar gaan we eindigen?
In het boek La società del pressappoco. La malattia dell’uomo moderno[1] (De maatschappij van het “ongeveer”. De ziekte van de moderne mens) biedt de psychiater Vittorino Andreoli, een groot waarnemer van de menselijke gedragingen en een gezaghebbende stem in het debat over de geestelijke gezondheid en het maatschappelijk onbehagen, ons enkele mogelijke interpretaties.
Een constatering is dat wij leven in een maatschappij van het “ongeveer” of beter, wij zijn een maatschappij van het “ongeveer”. Deze term, die aan uitdrukkingen als “zo’n beetje”, “min of meer” herinnert, drukt benadering, oppervlakkigheid, onnauwkeurigheid uit.
Dat betekent dat men de waarde verloren heeft van de precisie, die eens werd beschouwd als een deugdzame voorwaarde, zoals de auteur opmerkt, terwijl zij tegenwoordig daarentegen zorgen baart. Precieze, methodische, nadenkende, oplettende kinderen, jongeren, zo stelt de psychiater, wekken tegenwoordig een zekere angst op, omdat de normaliteit het “ongeveer” is.
Wij leven in een maatschappij die snel verandert, waarin men alles beleeft in een reële tijd, waarin er instrumenten zijn die vereisen dat men onmiddellijk een antwoord geeft op iedere prikkel, waarin alles snel zonder te denken en zonder aandacht wordt gedaan. Men neemt het heden waar, maar men heeft geen idee van wat de toekomst, en nog minder programmering, een project is. De herinnering is van minder waarde, omdat het chaotische systeem van de gebeurtenissen haar blokkeert in een maatschappij van de snelheid en de tegenwoordige tijd.
Alles wordt haastig gedaan met als resultaat een onvermijdelijke benadering. Het ongeveer-isme wordt niet gevoeld als gebrek, verwaarlozing, oppervlakkigheid, maar wordt een systeem van leven, een existentiële toestand.
Deze groeiende cultuur van de benadering, zo merkt de auteur op, doordringt ieder terrein van het hedendaagse leven, van de communicatie tot de opvoeding, van de politiek tot de intermenselijke relaties.
Een cultuur van de benadering
Een symptoom van deze cultuur ziet men in de taal: het gebruik van woorden zonder semantische precisie wijst op benadering. En toch drukken de taal en de kenmerken ervan het denken van een volk uit.
Het verband tussen denken en taal laat een onscheidbare eenheid zien: ontoereikendheid of armoede van het een of
het ander beperken beide. Het is bekend hoe de kennis van een taal het vermogen tot communicatie en dus het overdragen van de gedachte doet toenemen.
Met de medeplichtigheid van de technologieën van de informatica verliest men steeds meer het vermogen om complexe en gestructureerde gedachten uit te drukken, de communicatie is gebouwd op slogans en kant-en-klaar frasen met als gevolg een culturele achteruitgang en verarming.
Op het gebied van de opvoeding is een symptoom van het ongeveer-isme het zoeken naar het gemak, een uiterste simplificeren, die generaties aan het voortbrengen is die steeds minder in staat zijn tot kritisch denken en verdieping, en vaklieden bij benadering voortbrengt die niet in staat zijn tot een ware deskundigheid.
Ook de intermenselijke verhoudingen lijden onder rampzalige gevolgen: omdat zij gerelateerd zijn aan de technologie, zijn zij oppervlakkig en zonder een ware emotionele diepgang met als gevolg een steeds meer gefragmenteerde en individualistische maatschappij.
“Ik vind het leuk”, “ik vind het niet leuk”
Een verder symptoom van de pervasieve cultuur van de benadering, die door Andreoli naar voren wordt gebracht, is de buitengewone mogelijkheid die adolescenten, en steeds vaker ook kinderen, hebben, om buiten de concrete wereld te treden en in andere “virtuele” werelden binnen te gaan, die niet bestaan, maar waarin zij alles vinden.
Tegenwoordig brengt een jongen of meisje gemiddeld 4-5 uur per dag in een virtuele wereld door: door voor een scherm te gaan zitten en met een toetsenbord interageren zij met een wereld die er niet is, maar waarin zij goed leven. En als zij het niet leuk meer vinden, kunnen zij naar een andere, ook virtuele, kant gaan. Het verschil met de concrete wereld is duidelijk: daar zouden zij zich moeten inspannen om relaties tot stand te brengen die in staat zijn ervoor te zorgen dat zij de werkelijkheid leuk vinden, maar dat zou hun tijd en moeite kosten.
“Ik vind het leuk”, “ik vind het niet leuk” is het zintuiglijke dualisme waarnaar men op weg is en dat ook de volwassenen erbij aan het betrekken is.
Na 4-5 uur in een virtuele wereld te hebben doorgebracht willen veel kinderen niet meer in de concrete wereld binnentreden en dan komen de syndromen zoals dat van de hikikomori[2], kinderen die het bestaan consumeren ten overstaan van een
niet bestaande wereld en die niet meer weten te leven in een concrete wereld.
Het gaat er niet om moedeloos te zijn, verzekert Andreoli, (die zichzelf definieert als een actieve pessimist, en evenmin een laggard[3]), maar in de nabije toekomst zullen deze werelden van anderen zich nog meer losmaken van de concrete werkelijkheid met een mogelijke verspreiding van de platformen van de metaverse[4] en de vercommercialisering tegen schappelijke prijzen van instrumenten die het mogelijk maken om te spreken van een “verbeterde mens”.
Het gevaar is dat er experimenteel processen ontstaan die in de psychiatrie worden gediagnosticeerd als dissociatieve processen (waarvan schizofrenie het ernstigst is), een afscheiding van de wereld en van de anderen, en wel zozeer dat men niet meer de taal kan gebruiken als instrument van communicatie. En het spel is vrij gemakkelijk, omdat alles gebaseerd is op het “ik vind het leuk”.
Het identiteitsprobleem
Het thema van de metaverse betreft ten diepste het identiteitsprobleem van het menselijk wezen in zijn verschillende dimensies, zoals de identiteit van zijn geslacht, de identiteit van zijn rol of beroep, de identiteit van het “ik”.
In de cultuur van het bij benadering bestaat geen gedefinieerde identiteit van geslacht meer. Met de wetenschappelijke verworvenheden betreffende een psychologische definitie en het bewijs dat een deel van de menselijke hersenen “plastisch”, kneedbaar is en verandert met de ervaringen, kan een jongen biologisch mannelijk zijn, maar aspiraties, aantrekkingskrachten en kenmerken van vrouwelijkheid (en omgekeerd) hebben. Er is geen niet per se synchronie tussen psyche en anatomie en dat kan in een adolescent een dergelijke identiteitscrisis bepalen dat men zich ook chirurgisch een verschillende seksualiteit toekent.
Ook de identiteit van de professionele rol is in crisis, de identiteit die verband hield met het beroep en die antwoord gaf op de vraag “wat zul je doen, als je groot bent”. Het probleem is dat men tegenwoordig met moeite het heeft over voorbereiding, vorming en ook beroepen, men weet niet welke en hoeveel beroepen zullen verdwijnen en welke zich
zullen ontwikkelen. Men hoeft maar te denken aan al die beroepen die zijn ontstaan en zich hebben ontwikkeld rond de wereld van het virtuele.
Wat de identiteit van het “ik” betreft, deze is verre van het Kantiaanse morele imperatief en eveneens van de rationaliteit van het Cartesiaanse “ik denk” verwijderd. Vandaag denkt men tegelijkertijd verschillende dingen en heeft men verschillende maskers op: thuis in het gezin, een ander met vrienden en nog een ander masker op school. Eens werd dit gedrag, zo brengt Andreoli in herinnering, in psychiatrische kring gediagnosticeerd als een meervoudige persoon; tegenwoordig betreft het in verschillende graden integendeel een wijdverbreide normaliteit. Het gebrek aan persoonlijke morele kracht die in staat is om te stellen “dit wel en dit niet”, maakt hem vaak een meelopend “ik”, meegesleept door de een of andere leider. Het verschijnsel van jeugdbendes is daar een voorbeeld van.
In dit kader wordt het moeilijk ethisch onderricht te geven. De ethiek als plicht of het schuldgevoel bestaat onder de jongeren niet meer, maar ook niet op middelbare leeftijd, met een evidente crisis van de waarden die bij de benadering ook de morele sfeer betrekt.
Ondanks dit alles slaagt de auteur erin ook te spreken van hoop, daar, historisch gezien, waar alles in verval leek te zijn, er in de mens steeds het vermogen is geweest tot een onverwachte hergeboorte.
(Verzorgd door Emanuela Furlanetto)
_____________________
[1] V. Andreoli, La società del pressappoco. La malattia dell’uomo moderno, Solferino, Milano 2024.
[2] Met de Japanse term hikikomori, die betekent “afzijdig zijn, zich isoleren” streeft men ernaar een bijzonder psychiatrisch symptoom te beschrijven dat jongeren en zeer jonge mensen treft. Het verschijnsel wordt voornamelijk gekenmerkt door een zich sociaal terugtrekken, een zich afsluiten van de buitenwereld, isolement en een totaal afwijzen van niet alleen ieder vorm van relatie, maar ook voor het zonlicht.
[3] Laggard is een Engelse term die letterlijk “achterlijk” betekent en wordt toegekend aan wie nog niet de smaak van de technologie heeft geproefd, haar afwijst, geen smartphone gebruikt, in huis geen Wifi heeft, geen smart-t.v. heeft, het licht in de kamer niet uitdoet met een knippen van de vingers, vgl. Chi rifiuta l’innovazione tecnologica ora ha un nome: https://www.rivistastudio.com/laggard-early-adopter-tecnologia/
[4] De term metaverse wordt voor de eerste keer gebruikt in 1992 in het boek van Neal Stephenson Snow crash, dat meta gebruikt in de zin van metafysisch en verwijst naar de dimensie van het irreële, en verse als letterlijke samentrekking van het heelal en verwijst naar een wereld, een universum van de virtualiteit. Het betreft “een immense sfeer... waar iedere persoon kan verwezenlijken wat hij wenst”, vgl. V. Andreoli, La società..., 185.
(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)
26/06/2025