Met de Advent begint een bijzondere weg die de leerlingen van Christus erop voorbereidt zich te zuiveren om waardig de heilige Kerstmis te kunnen vieren.

Dat is de overheersende idee die men heeft over deze sterke tijd van het liturgische jaar.

Zeker, de christen is geroepen om aan ieder mysterie deel te nemen dat door de liturgie wordt gemarkeerd met de bedoeling vrucht te dragen in zijn leven.

De Advent nodigt ons uit om al de beloften aan te nemen die door de profeten, vooral door de profeet Jesaja, in het Oude Testament zijn gedaan. Hij bemoedigt ons ook door op het liturgische toneel personen als Johannes de Doper, Jozef en Maria te laten optreden om ten volle te begrijpen wat het betekent te wachten op de Heer en Hem die voor ons wordt geboren, op te nemen.

Hierin is de periode van de Advent gelijk aan die van de Veertigdagentijd: men bereidt zich voor om in het feest van Kerstmis of Pasen binnen te gaan in bruiloftskleding, die voornamelijk bestaat uit de goede werken die wij laten zien.

Deze bedoeling, hoe zeer ook te waarderen, brengt ons echter weer tot de praktijken van het Oude Testament, die worden beheerst door offers om de goddelijke welwillendheid voor zich in te nemen.

Eigenlijk is de tijd van Advent iets meer.

“De verwachting van zijn komst”, “van zijn laatste komst” (vgl. Prefatie van de Advent 1/A) is het leitmotiv van deze periode. De toespeling is zeker niet op Kerstmis, omdat de eerste komst al werkelijkheid is geworden in de kribbe van Bethlehem. Daar heeft de Heer zich gepresenteerd in alle nederigheid, met heel de broosheid van het vlees dat Hij heeft aangenomen, en wij verwachten Hem niet meer op die wijze.

Er is immers een andere komst die wij verwachten op het einde der tijden, wanneer Christus zich in heerlijkheid zal presenteren. De Advent, die zijn hoogtepunt vindt in het Kerstfeest, herinnert sterk aan deze werkelijkheid en nodigt ons uit waakzaam te zijn, opdat ons die dag niet verrast en wij door onachtzaamheid worden uitgesloten van het Rijk:

“Dan zullen er twee op de akkers zijn: de een wordt meegenomen, de andere achtergelaten; twee vrouwen zullen met de molen aan het malen zijn: de een wordt meegenomen, de andere achtergelaten” (Mat. 24, 40-41).

Het werkwoord dat wordt gebruikt om aan te geven dat de een wordt meegenomen (gegrepen), is hetzelfde als dat wat door Matteüs wordt gebruikt bij de droom van Jozef, waarin de engel tegen hem zegt niet bang te zijn om Maria tot vrouw te nemen. De diepe betekenis is dus niet die van ontrukken, willekeurig wegvoeren (de een wel, de ander niet), maar die van opnemen: een zal opgenomen worden in het Rijk, zoals men een echtgenote opneemt, omdat hij zich erop voorbereid heeft om opgenomen te worden.

Waarschijnlijk zal het niet zover komen dat wij de terugkeer van Christus aan het einde der tijden aanschouwen. En wat voor komst verwachten wij dan?

De heilige Bernardus komt ons te hulp, juist wanner hij in een van zijn Homilieën over de Advent zelfs spreekt van drie komsten van Christus: de eerste is er al geweest, toen Hij uit Maria is geboren; de tweede zal er zijn, wanneer Hij aan het einde der tijden in heerlijkheid zal terugkeren. Maar er is een derde komst, die van elke dag dat Christus in ons wordt geboren en wij krachtens dit diepe mysterie Christus in het leven van de mensen geboren doen worden, “hier en nu”[1].

Zoals de heilige Bernardus zegt:

“Dit zal deze komst doen, dat wij gelijk wij het beeld van het aardse hebben gedragen, zo ook het beeld zullen dragen van de hemelse mens (1 Kor, 15, 49). Moge, zoals de oude Adam zich over heel de mens heeft uitgestort en hem geheel heeft besmet en bezet heeft gehouden, nu Christus, die alles heeft geschapen, alles heeft verlost, alles zal verheerlijken, hem geheel in bezit nemen”[2].

Wij herinneren aan de zeer mooie passage uit het evangelie van Johannes: “Als iemand mij liefheeft, zal hij mijn woord onderhouden; mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en verblijf bij hem nemen” (Joh. 14, 23).

En ook: “Want waar er twee of drie verenigd zijn in mijn Naam, daar ben Ik in hun midden” (Mat. 18, 20).

In de liefde voor Hem en de broeders en zusters komt de Heer iedere dag tot ons.

Ook hier komt ons de Prefatie van de Advent te hulp, wanneer zij zegt:

“Nu komt Hij naar ons toe in iedere mens en in iedere tijd, opdat wij Hem ontvangen in geloof en in de liefde getuigen van de zalige hoop op zijn rijk”.

De periode van Advent is dus niet alleen maar een voorbereiding op het Kerstfeest, waarin wij overwegen wat er reeds is gebeurd, maar ook een weg van bekering die leidt naar ons heil, “vandaag” en die zijn hoogtepunt zal vinden in de uiteindelijke ontmoeting met de Heer.

Ja, omdat het Woord dat eens vlees werd, vandaag vlees in ons moet worden, opdat, telkens als Christus aan onze deur zal kloppen, Hij ons altijd waakzaam vindt in de verwachting.

Sandro Puliani

 

 

_________________

[1] Vgl. Bernardo di Chiaravalle, Sermone V. Dell’avvento di mezzo e della triplice innovazione, in Bernardo di Chiaravalle, Sermoni sull’Avvento. A cura di D. Turco, Edizioni Vivere in, Roma 1991, 85-89.

[2] Bernardo di Chiaravalle, Sermone V..., 89.

 

(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)

 

 

15/12/2025