Maria Magdalena, figuur van de Kerk op zending

Deel een

 

Magdalena, symbool en vertegenwoordigster van de mensheid

Barsotti merkt van zijn kant op dat, als Maria de bruid in de volle betekenis is, Maria Magdalena integendeel moet wachten op de verlossing. Daarom zijn wij meer in Maria Magdalena dan in Maria en zullen wij het mysterie van onze eenheid van het huwelijk in Christus beleven, zoals Maria van Magdala het beleefd heeft[1].

Voor Barsotti is zij, evenals voor Zeller en Bruckberger, het type van de ontrouwe bruid in wie de mensheid de verplichting van een plechtige verloving ontvangt[2].

Bruckberger heeft geschreven:

“In Maria Magdalena ontvangt de mensheid de verplichting van de plechtige belofte van de bruiloft. De dag van de algemene verrijzenis aan het einde van de wereld zal de dag van de bruiloft zijn. De mensheid is niet meer de ongehoorzame, overspelige, uit het aards paradijs verjaagde vrouw; zij is niet meer de verstoten bruid, het verleden is voor altijd opgeheven. De mensheid is een verloofde, beloofd aan de mooiste van de kinderen van de mens, die op haar wacht op de drempel van een ander paradijs. Zo heeft ook Maria Magdalena de profetie van Johannes de Doper tot het uiterste doorgevoerd en nader bepaald. Hij had immers over de Christus gezegd: ‘Hij is de Bruidegom’”[3].

Maria van Magdala is de zondige vrouw, symbool en vertegenwoordigster van heel de mensheid, die hier beneden de bruid van Christus is. Als de Romeinse liturgie in één figuur de trekken van tenminste drie verschillende vrouwen heeft samengebracht, dan is dat, omdat zij in Maria Magdalena niet zozeer een bijzondere heilige viert, als wel het type van de bruid en daarom op haar de woorden van het Hooglied toepast[4]. Het paste niet dat een vrouw alleen in zich de relatie van bruid van Christus in haar historische leven verpersoonlijkte, zoals een vrouw in zich ten volle de relatie van Moeder had verwezenlijkt. Door in één vrouw de drie vrouwenfiguren van het evangelie samen te brengen die na de Maagd een intiemere relatie met Christus hebben gehad, viert de liturgie in deze ideale figuur het type van de bruid en prijst in de bekering van Magdalena de nieuwe orde van de liefde die is begonnen in deze terugkeer van de bruid naar haar goddelijke Bruidegom, in hun verzoening, in hun nieuw huwelijksfeest[5].

Hier hebben wij een door Barsotti verklaarde invloed van het werk van kardinaal de Bérulle, die naar het oordeel van zijn biograaf Molien “een van de mooiste boeken, misschien wel het mooiste”, heeft geschreven, “dat is geschreven ter ere van de bekende boetelinge”[6].

Voor kardinaal de Bérulle ziet Maria Magdalena niet wat zij doet, maar de Geest die haar bezit, ziet het[7].

Jezus en Maria Magdalena zijn één in de Geest en de kennis van de een leidt de liefde van de ander[8].

In Maria Magdalena vinden wij het beeld van de bruid terug. En het is weer Barsotti die opmerkt dat

“haar houding, haar gebaren niet die van een moeder, maar van een vrouw zijn die bemint en zich geeft: zij is het die Jezus aanschouwt en, gezeten aan zijn voeten, naar Hem luistert, zij die het albasten vaasje breekt en de balsem over Hem uitgiet, zij die met haar tranen de goddelijke voeten afwist en ze afdroogt met haar haren. ... In deze huwelijksliefde is niets minder dan het pure, het heilige, het goddelijke, maar het is huwelijksliefde. ... In de vlucht, de drang van Magdalena naar Jezus breekt het hevig verlangen, de verwachting van heel de mensheid los die haar Heiland aanroept”[9].

Maria Magdalena, apostel van de apostelen

Het lijkt ons dat wij in de figuur van Maria Magdalena de gepersonifieerde samenvatting terugvinden van het denken van Gregorius de Grote over de relatie tussen contemplatie en actie. Om de uitdrukking van de heilige Johannes Paulus II te hertnemen, Maria Magdalena is als missionaris een “contemplatief in actie”[10].

Gregorius is zeker onder de Vaders misschien degene die met meer nadruk spreekt over het contemplatieve leven en alles hierop richt[11].

“Het contemplatieve leven – zo zegt Gregorius – bestaat in het met heel de ziel behouden van de liefde voor God”[12].

Wij aanschouwen de schoonheid van onze Schepper in een kennis van liefde: “Wij kennen door middel van de liefde”[13] en nog beter: “Wanneer wij immers de waarheden liefhebben die ons werden verkondigd over de bovennatuur, kennen wij ze al, omdat de liefde zelf kennis wordt”[14].

De mate van contemplatie wordt vervolgens altijd herkend in de liefde en meer precies in die jegens de naaste:

“Hoe meer een ziel uitdijt in de liefde voor de naaste, des te meer verheft zij zich in de kennis van God. Terwijl zij door middel van de liefde horizontaal uitdijt, strekt zij zich door middel van de kennis uit naar boven en stijgt zij boven zichzelf uit in de mate waarin zij zich uitstrekt naar de liefde voor de naaste. ... Laten wij God en de naaste oprecht en innig liefhebben. Laten wij uitdijen in het elan van de liefde en wij zullen in de gelukzaligheid van de hoogte verheerlijkt worden. Laten wij de naaste nabij zijn met een medelijdende liefde en wij zullen door middel van de kennis verenigd worden met God. Laten wij het lot van onze kleinste broeders en zusters op aarde delen en wij zullen in de hemel met de engelen worden verenigd”[15].

In Maria Magdalena “is de geur van haar liefde groter en langduriger dan de geur van haar balsem die heel de plaats vervulde waar Jezus op aarde woonde, daar de goddelijke geur van zijn liefde hemel en aarde vervult en blijvend wordt voor alle eeuwigheid”[16].

En deze liefde zal van haar “een nieuwe apostel van genade, van leven en van liefde maken: een apostel voor de apostelen zelf om het leven en de heerlijkheid van Jezus te verkondigen”[17].

Ook in het commentaar van Lagrange “wordt Maria Magdalena tot apostel van de apostelen gewijd. Zij gehoorzaamt, zoals degenen doen die afzien van een gesprek met hun Meester om de blijde boodschap te gaan brengen: ‘Ik heb de Heer gezien’”[18].

In zijn apostolische brief Mulieris dignitatem herneemt de heilige Johannes Paulus II de bijnaam “apostel van de apostelen”, toegepast op Maria Magdalena. De Heilige Vader schrijft desbetreffend: “Maria Magdalena was eerder dan de apostelen ooggetuige van de verrezen Heer en daarom was zij ook de eerste die getuigenis van Hem aflegde tegenover de apostelen[19].

In haar vinden wij de volmaakte samenvatting van de twee onvervangbare ogenblikken van de christelijke ervaring: contemplatie-actie.

In de Latijnse liturgie van 22 juli, laat de Kerk de woorden van het Hooglied lezen: “... Ik sta op, doorkruis de stad, zoek op pleinen en in straten naar mijn zielsbeminde”[20].

De Magdalena op wie de Kerk de woorden van het Hooglied toepast, gaat “op pleinen en in straten” op zoek naar Hem die zij al gevonden heeft. Contemplatie verwijdert niet van actie, integendeel, zij zet ertoe aan.

“Mijn rust – zo schrijft de heilige Augustinus – heeft niet ten doel de nalatigheid te voeden, maar te komen tot de wijsheid. ‘Ik slaap, maar mijn hart waakt’, ik rust en zie dat U de Heer bent. ... Ik rust uit van mijn aardse zorgen en beslommeringen en vlij mijn geest tegen de goddelijke liefde. Maar terwijl de Kerk vreugde vindt in de zielen die zoet en nederig rusten, zie, daar klopt Hij die zegt: ‘... Wat u in uw oor hoort, schreeuwt dat van de daken’. ... Hij klopt om de heiligen die rusten, wakker te schudden uit hun rust en schreeuwt: ‘Open de deur voor mij’”[21].

“Wat dit betreft, zag Augustinus de actie als een noodzakelijk middel voor de contemplatie, zowel nu als in het toekomstig leven. Zoals hij zegt, ontmoeten wij Christus op aarde in de persoon van de armen die onder ons zijn; wij verzekeren ons op dezelfde manier van een plaats in de hemel door werken van naastenliefde ten behoeve van hen te doen. De dienst aan de behoeftigen is dus een middel voor de contemplatie en de liefde voor God. Volgens Augustinus moet men het mogelijk maken dat beide vormen van leven bloeien, echter zodanig dat geen hiervan een hindernis vormt voor het goede dat uit de ander voortkomt. En ook al bepaalt Hij dat de contemplatie het beste deel (melior pars) is, dan houdt dat niet in dat de actie schadelijk is, maar alleen iets dat volmaakter is, moet laten voorgaan. De ware uitdaging in dezen was voor Augustinus deze verschillende wijzen van leven met elkaar in overeenstemming te brengen in een ideaal van een voortreffelijkere christelijke liefde die de liefde voor God en de liefde voor de naaste ten volle integreert en zo beide voorschriften van het Grote Gebod vervult”[22].

In dit “apostel van de apostelen zijn” plaatst Maria van Magdala zich als de figuur van de Kerk op zending. De Kerk op zending heeft als nieuwe Magdalena in haar vlees een boodschap van armoede en geween, van naaktheid en bekering geprent. Op zending wordt de Kerk uitgedaagd door de volken. Zij kan zich niet verschansen achter formules of intellectuele uitingen. Niet de werken van menselijke macht of die van het menselijk weten geven haar de garantie van het succes van haar activiteit. Op zending ontdekt de Kerk haar armoede aan menselijke zekerheden, haar zonde in het zich prostitueren voor heersende ideologieën, haar eenzaamheid, nadat zij in haar liefde voor de volken zich onder zeer veel bomen heeft ontbloot, daarbij vergetend dat zij zich alleen maar voor haar Bruidegom moest ontkleden. Hierin ontdekt de Kerk een werkelijkheid die haar werkelijk arm en naakt maakt, blootgesteld aan spot, teleurstelling, vervolging.

Maria van Magdala heeft voor haar de weg geopend, zij wijst haar de weg. Zij is de vrouw die de Verrezene op zending stuurt[23]. Zij is de boetelinge die om haar eigen zonden huilt, die niet stil blijft zitten en die het type is van iedere bekering, terugkeer van heel de mensheid, als ontrouwe bruid, naar haar goddelijke Bruidegom. Arm aan zichzelf en alleen rijk aan de liefde voor haar Bruidegom, brengt zij vreugde en heil aan de volken.

Benedictus XVI heeft gezegd:

“De geschiedenis van Maria van Magdala herinnert allen aan een fundamentele waarheid: leerling van Christus is wie in de ervaring van de menselijke zwakheid de nederigheid heeft gehad Hem om hulp te vragen, door Hem wordt genezen en begonnen is Hem van dichtbij te volgen en zo getuige wordt van de macht van zijn barmhartige liefde, die sterker is dan zonde en dood”[24].

Zij voltrekt buiten de muren van de stad het huwelijk in een “bloedtransfusie”[25] en een gave die leven voortbrengt voor alle volken. In deze daad die hoort bij de dood, staat Maria van Magdala niet alleen voor haar Bruidegom. Daar vindt zij de Moeder, de Alheilige, Moeder de Kerk, de Maagd Maria terug.

In Maria van Magdala en in Maria, de Moeder van Jezus, ontmoet de Kerk heel de volheid van de Kerk, uitgebreid in tijd en ruimte. Daar aan de voet van het kruis ontmoeten Maria van Magdala en Maria samen Jezus. In deze ontmoeting, in dit drama wordt de Liefde bevestigd en dit drama, deze goddelijke uitwisseling is de verlossing voor alle volken[26].

Von Balthasar schreef:

“Met God is een vereniging in gelijk geslacht niet mogelijk, maar alleen het vrouwelijke ‘zich bij God aan te sluiten’ in de zin van Paulus-Augustinus. Niet nemen, alleen maar genomen worden. In de mate waarin de individuele gelovige zich door God laat grijpen, wordt hij dienares van de Heer, wordt in hem de Kerk gewekt, die op vrouwelijke wijze de Geest van de Heer weerspiegelt. Kunnen en moeten ontvangen vormt zo samen de heerlijkheid e de nederigheid van de vrouw”[27].

En de heilige Johannes Paulus II zegt in Mulieris dignitatem dat het paasmisterie

“de bruidsliefde van God tot op de bodem openbaart. Christus is de Bruidegom, omdat Hij zichzelf gegeven heeft, zijn lichaam is gegeven, zijn bloed is vergoten. Op deze wijze beminde Hij tot het uiterste toe. De oprechte gave in het kruisoffer doet op definitieve wijze het bruidskarakter van de liefde van God uitkomen. Christus is de Bruidegom van de Kerk, als Verlosser van de wereld. De Eucharistie is het sacrament van onze verlossing. Het is het sacrament van de Bruidegom, van de Bruid. De Eucharistie stelt de verlossingsdaad van Christus, die de Kerk, zijn lichaam, schept, tegenwoordig en realiseert haar op sacramentele wijze. Christus is met dit lichaam verenigd als de Bruidegom met de Bruid. Dit alles ligt vervat in de Brief aan de christenen van Efeze. In het diepzinnige geheim van Christus en van de Kerk wordt de blijvende eenheid van de twee opgenomen, welke van het begin af gevormd is tussen man en vrouw. Als Christus bij de instelling de Eucharistie op zulk een uitdrukkelijke wijze verbonden heeft met de priesterlijke dienst van de apostelen, dan is het geoorloofd te denken dat Hij op deze wijze de verhouding tussen en man en vrouw wilde uitdrukken, tussen wat vrouwelijk en wat mannelijk is, welke door God gewild is, zowel in het mysterie van de schepping als in dat van de verlossing”[28].

Daarom verkondigen wij bij het breken van het brood en het drinken van de kelk niet alleen het lijden en de verrijzenis van Jezus, maar zullen wij “overal waar het evangelie zal worden verkondigd, in heel de wereld”[29] de liefde van Magdalena, de liefde van de Kerk op zending voor het fysieke lichaam van de Heer, verkondigen, een liefde die de verkondiging geloofwaardig maakt[30].

Emilio Grasso

 

 

____________________

[1] Vgl. D. Barsotti, Spiritualità carmelitana e sacramenti. Via di crescita nello Spirito, Città Nuova, Roma 1984, 174.

[2] Vgl. P.-M. Guillaume, Marie-Madeleine (sainte), in Dictionnaire de Spiritualité, IX/2, Beauchesne, Paris 1977, 574.

[3] R.-L. Bruckberger, Marie-Madeleine, Albin Michel, Paris 1975, 176.

[4] Vgl. V. Saxer, Le culte de Marie Madeleine..., II, 293.

[5] Vgl. D. Barsotti, Il Mistero Cristiano nell’Anno Liturgico, Libreria Editrice Fiorentina, Firenze 1951, 336-337.

[6] A. Molien, Le cardinal de Bérulle, I, Beauchesne, Paris 1947, 134.

[7] Vgl. P. de Bérulle, Élévation à Dieu sur sainte Madeleine, IV, 1, in P. De Bérulle, Œuvres complètes, Migne, Paris 1856, 547-548.

[8] Vgl. P. De Bérulle, Élévation à Dieu, IV, 2..., 548.

[9] D. Barsotti, Il Mistero Cristiano..., 338-339.

[10] Vgl. Redemptoris missio, 91.

[11] Over de contemplatie bij Gregorius de Grote, vgl. A. Ménager, La contemplation d’après Saint Grégoire le Grand, in “La Vie Spirituelle” 9 (1923) 242-282; vgl. A. Ménager, Les divers sens du mot “contemplatio” chez saint Grégoire le Grand, in Supplément à “La Vie spirituelle” 59 (1939) 145-169; 60 (1939) 38-56.

[12] Gregorio Magno, Omelia su Ezechiele, II, II, 8, in Opere di Gregorio Magno, III/2. Omelie su Ezechiele/2. A cura di V. Recchia, Città Nuova, Roma 1993, 56-57.

[13]Per amorem agnoscimus”, Gregorio Magno, Commento morale a Giobbe, X, 8, 13, in Opere di Gregorio Magno, I/2. Commento morale a Giobbe/2. A cura di P. Siniscalco, Città Nuova, Roma 1994, 144-145.

[14]Dum enim audita super coelestia amamus, amata jam novimus; quia amor ipse notitia est”, Gregorio Magno, Omelia, II, XXVII, 4, in Opere di Gregorio Magno, II, Omelie sui Vangeli..., 350-351.

[15] Gregorio Magno, Omelia su Ezechiele, II, II, 15, in Opere di Gregorio Magno, III/2. Omelie su Ezechiele/2..., 64-67.

[16] P. de Bérulle, Élévation à Dieu, III, 7..., 546.

[17] P. de Bérulle, Élévation à Dieu, IV, 3..., 549.

[18] M.-J. Lagrange, L’Évangile de Jésus-Christ, Librairie Lecoffre, Paris 1954, 651.

[19] Mulieris dignitatem, 16.

[20] Hoogl. 3, 2.

[21] Sant’Agostino, Commento al Vangelo di s. Giovanni, LVII, 3-4, II, Città Nuova, Roma 1965, 191-192.

[22] N.J. Torchia, Contemplación y acción, in Diccionario de San Agustín. San Agustín a través del tiempo. Director A.D. Fitzgerald, Monte Carmelo, Burgos 2001, 319.

[23] Vgl. J. Dournes, Du prophète à l’apôtre. Marie de Magdala, in “Spiritus” 28 (1966) 246-257.

[24] Benedetto XVI, La preghiera mariana con i fedeli convenuti a Les Combes di Introd (23 luglio 2006), in Insegnamenti di Benedetto XVI, II/2, Libreria Editrice Vaticana 2007, 67.

[25] “Zij lijdt uit liefde en dit kruis kruisigt Magdalena in Jezus en met Jezus, deze doorns kronen en verscheuren Magdalena zoals Jezus, en dit ijzer van de lans dat het dode hart van Jezus doorboort, doorboort het levende hart van Magdalena”, P. de Bérulle, Élévation à Dieu, V, 7..., 558.

[26] Vgl. E. Grasso, Fondamenti di una spiritualità..., 192-193.

[27] H.U. von Balthasar, Sponsa Verbi..., 184.

[28] Mulieris dignitatem, 26.

[29] Mar. 14, 9.

[30] Vgl. Redemptoris missio, 91.

 

(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)

 

 

04/11/2021