Witte Donderdag: aan de tafel van het Laatste Avondmaal

Deel twee

 

In de drie dagen van het paastriduüm vieren wij het mysterie van het lijden, de dood en de verrijzenis van Jezus. Wij gedenken de door Jezus beleefde gebeurtenissen en wij beleven die opnieuw in de liturgie, die ons gelijktijdig maakt met deze gebeurtenissen. Dit is de sacramentele dynamiek waarop de paasliturgie zich baseert.

Witte Donderdag, waarop wij het Laatste Avondmaal vieren met de instelling van de eucharistie en het priesterschap, maakt het ons mogelijk te begrijpen waarom de mis zo belangrijk is voor de christenen: telkens als wij deze vieren, worden het lijden van Jezus in zijn passie, in al zijn dramatiek en diepte, en zijn verrijzenis tegenwoordig gesteld.

Die man die zich uitlevert, die zijn gegeven woord niet verloochent, die in het beleven van wat hij heeft verkondigd, tot het uiterste gaat en wordt gekruisigd, in zijn menselijk en goddelijk bewustzijn alle lijden van de mensheid in de hoogste mate doormaakt. De God die sterft, ervaart in zijn vlees en in zijn geest de diepte van de afgrond van het kwaad, van het afwijzen van de liefde en de gevolgen daarvan, en lijdt met een bewustzijn van dit alles dat oneindig dat van welke mens dan ook te boven gaat. Ten overstaan van de dood van God, die de dood van alle mensen op zich neemt, is er geen ruimte voor oppervlakkigheid, lachen, onverschilligheid, onachtzaamheid, maar moet men de “liturgische” stilte voor zijn dood en die van iedere mens leren respecteren en ertoe komen te begrijpen dat telkens wanneer men de mis viert, men dit verschrikkelijke en tegelijkertijd heilzame ogenblik, dat de dood in leven verandert, opnieuw beleeft.

Dit is het “ernstige” aspect van de gekruisigde mens en volken, van de God die in de mis zijn dood tegenwoordig stelt: het is het ogenblik waarop de kracht van de Heilige Geest ons gelijktijdig maakt met Christus in de dagen dat Hij leed, stierf en verrees.

Voor christenen is de mis de grootste gebeurtenis in de geschiedenis. Zonder mis vindt de wereld niet de fundamentele reden voor haar bestaan, de zin van de dingen, de verlossing uit de pijn en de dood.

Wij begrijpen deze ernst goed, als wij het mysterie van de eucharistie analyseren: het is het Lichaam van de Heer en het brood uit de hemel, maar wij kunnen haar niet vieren zonder erbij betrokken te zijn, als wij niet een beetje brood en een beetje wijn, de vrucht van de aarde en ons werk, op het altaar leggen. Wij moeten onze bijdrage leveren, opdat dat brood en die wijn veranderen in het Lichaam en het Bloed van Christus. Alleen zo worden wij ingelijfd bij dat offer dat ook de vrucht is van ons werk.

Hierin is ook heel de verantwoordelijkheid gelegen van hen die het priesterschap – ingesteld juist bij het Laatste Avondmaal – uitoefenen, met hun prediking en hun leven, een begrijpelijke uitleg van deze gebeurtenis door te geven. Dat brood en die wijn zijn geen magische elementen, maar werkelijk het Lichaam en het Bloed van Jezus, de mens geworden Zoon van God: het mysterie van een God die sterft, opdat de mens leeft. Hierin is de absurditeit gelegen van het oppervlakkig deelnemen aan dit mysterie; hieruit volgt dat men wat dan ook en zelfs de dood oppervlakkig beleeft.

De ontaarding van het woord

Oppervlakkigheid komt in het bijzonder tot uiting in de ontaarding van het woord.

Ten gevolge van het “verziekt zijn van het woord” gaan er achter hetzelfde woord verschillende, zelfs tegengestelde betekenissen schuil. Zo ontneemt men de mens de mogelijkheid zijn leven te bouwen op vaste en stevige grondslagen door hem in het diepst van zijn wezen te doden. De ontaarding van het woord is de ontaarding van het verstand, dat wil zeggen, van datgene wat de mens in het geschapen heelal kenmerkt: zijn rationele natuur schade toebrengen betekent hem veroordelen. Zo heeft immers de Logos (Verbum-Woord) van de Vader, scheppende en interpreterende Rede van heel de werkelijkheid, niet meer de mogelijkheid in relatie te treden met de mens om hem uit de afgrond waarin hij is gevallen, te laten komen. In dit klimaat van ontaarding van het woord heeft Jezus Christus, de mens geworden Logos (vgl. Joh. 1, 1-5.14), de gezondene van de Vader, geen taal meer gemeen met de mens, omdat de mensen deze niet meer onder elkaar hebben.

Daarom moet ook ons woord een authentieke, ondubbelzinnige inhoud hebben om een wederzijdse kennis mogelijk te maken. De ergste zonde is nu juist het prostitueren van het woord, waaruit andere soorten prostitutie voortkomen. Het is met de mond een woord uitspreken, maar in het hart een ander hebben, dat verschillend, geheim is.

De christelijke boodschap brengt ons daarentegen terug naar de eenvoud van het noemen van de dingen bij hun naam en de waarde van veel woorden die nu ernstig ziek zijn, te herstellen.

De kracht van het woord overwint het geweld; de cultuur verslaat de onbeschaamdheid; de waarheid laat zich meer gelden dan de leugen; de waarde van de innerlijke vrijheid doet iedere vorm van slavernij teniet.

In het leven is trouw zijn aan het woord, aan wat men belooft of zegt, de synthese, het uitgangspunt en eindpunt van de christelijke revolutie: een keuze die in vrijheid wordt gemaakt, als antwoord op een ontvangen verkondiging, die naar de ware vrijheid leidt, de vrijheid die voortkomt uit de waarheid.

Om geen slaven te worden van de leugen is het noodzakelijk tot op de bodem te gaan en bereid te zijn de zware prijs van de waarheid te betalen. Allen zijn geroepen het voorbeeld van Jezus te volgen, die tot de uiterste consequenties trouw is gebleven aan zijn zending van liefde.

Naar de vergoddelijking van de mens

De gelovigen zijn geroepen uitgaande van de mis, de actualisering van het offer van Jezus, de werkelijke waarde van welke realiteit dan ook te ontdekken. Het mysterie van God doet hen begrijpen dat zij recht erop hebben te leven en te dromen van een bestaan op een zo hoog mogelijk niveau: Jezus sterft, opdat zij een authentiek leven hebben dat niet bestaat in het hebben van een gsm, een brommer of het tot elke prijs volgen van de laatste mode. Het leven is liefde: beminnen en bemind worden.

De christelijke logica beperkt zich niet tot een “goedige” moraal, maar is veel meer, het is een opwaarts gaan, totdat men de vergoddelijking van de mens bereikt: God is niet eenvoudigweg mens geworden om ons een wet te geven of om ons een voorbeeld na te laten dat wij moesten volgen, maar opdat iedere mens uiteindelijk God zou worden.

“Opdat de mens vrij is, moet hij ‘als God’ zijn. De intentie om als God te worden is het kernpunt van wat er is uitgedacht voor de bevrijding van de mens. Daar het verlangen naar vrijheid behoort tot het wezen van de mens, zoekt deze mens noodzakelijkerwijs vanaf het begin de weg naar het ‘zijn als God’: alle andere dingen zijn immers voor de mens niet voldoende met zijn niet te stillen honger naar eindige dingen”[1].

Jezus sterft, opdat wij erin slagen als God te zijn, in de schoonheid binnen te gaan van de liefde die nooit eindigt en steeds hogere toppen bereikt. Een liefde is sterk, wanneer zij boven de nacht, het donker, de duisternis, de ziekte, de dood uitgaat. Jezus heeft geleerd dat zijn liefde sterker is dan de dood, en Hij heeft de eucharistie ingesteld als de actualisering van dit alles.

Er is een reden waarom de Kerk de lerares van de liefde is. Men hoeft maar te denken aan het Hooglied, dat de liefde tussen Christus en de Kerk, tussen Christus en een trouwe ziel precies beschrijft; het is een fundamenteel boek van de Bijbel voor hen die wensen te leren liefhebben met nederigheid, goed van kwaad te onderscheiden, in staat te zijn te lijden, zich in te zetten, een karakter te ontwikkelen, controle over zichzelf te hebben zonder zich bij de eerste moeilijkheid over te geven.

Dat is de boodschap van de Kerk: een boodschap van schoonheid, kracht, moed, authentieke vrijheid, die ons zegt dat God de mens geen grenzen stelt. Het is daarentegen de Antichrist die deze stelt, zoals wij in de geschiedenis van Judas zien. God is over de dood heen gegaan, terwijl wij integendeel, wanneer wij de grens van angst en zonde opwerpen, de diep verankerde droom van ons hart doden en werkelijk het leven verliezen.

In zijn homilie van 17 maart 2013 zei paus Franciscus ons dat “het niet gemakkelijk is zich toe te vertrouwen aan de barmhartigheid van God, omdat dat een onbegrijpelijke afgrond is”. En hij eindigde zijn homilie met de volgende woorden:

“De Heer wordt nooit moe te vergeven: nooit! Wij zijn het die het moe worden Hem om vergeving te vragen. En laten wij de genade vragen niet moe te worden om vergeving te vragen, omdat Hij nooit moe wordt te vergeven”.

De goddelijke pedagogie in het Laatste Avondmaal

Daarom spoort de Heer ons gedurende het Laatste Avondmaal aan het geloof te beleven een niet bang te zijn.

“Laat uw hart niet verontrust worden. Gij gelooft in God, gelooft ook in Mij. ... Gij hebt Mij horen zeggen: Ik ga heen, maar Ik keer tot u terug. Als gij Mij zoudt liefhebben, zoudt gij er blij om zijn dat Ik naar de Vader ga, want de Vader is groter dan Ik” (Joh. 14, 1.28).

Het betreft een aansporing om iedere angst te overwinnen die in ons hart woont en ons verhindert te handelen en te vervullen waartoe wij bevoegd zijn.

Het gevoel van angst schept immers uiteindelijk in ons een voortdurende houding van besluiteloosheid, een eeuwig geplaatst innerlijk vraagteken. Deze toestand van innerlijke verlamming brengt ons ertoe ons te installeren in een toestand van “niets doen”. Door niets te doen, doen wij echter iets, dat wil zeggen, wij maken een keuze voor onbeweeglijkheid, die het leven en zijn verantwoordelijkheden vermijdt en onze werkelijke dood voorbereidt. Alleen door ervoor te kiezen lief te hebben worden wij inderdaad geboren tot het leven dat de Verrezene voor ons heeft verkregen.

De Heer spoort ons aan dat wij ons hart niet laten verstoren en dat wij ons tegelijkertijd verheugen.

“Als gij Mij zoudt liefhebben, zoudt gij er blij om zijn dat Ik naar de Vader ga” (Joh. 14, 28).

Wat voor een reden zouden wij kunnen hebben om ons te verheugen over zijn heengaan, wanneer Hij definitief weggaat en het lijkt dat Hij ons verlaat? Hij heeft zoveel tot stand gebracht, gezegd, Hij heeft wonderen verricht, vervolgens keert Hij uiteindelijk terug naar de Vader en Hij lijkt ons alleen te laten.

Het is belangrijk de diepe zin van de woorden van de Heer en van zijn handelen te begrijpen, in ons persoonlijke leven de logica te verstaan van deze goddelijke pedagogie.

Een kind heeft zijn moeder nodig om te groeien, om beschermd en opgevoed te worden. Het heeft behoefte aan de hand van zijn moeder, die het leidt, en het heeft angst, als zij het alleen laat, als zij zich verwijdert, omdat het zich nog zwak en machteloos voelt ten overstaan van de wereld die het omgeeft.

In de jeugd heeft het kind iemand nodig die het leidt, maar langer dan noodzakelijk in de armen van moeder blijven zou zijn groei blokkeren, zou het verhinderen zijn eigen leven te leven met als gevolg dat het een persoon wordt die niet in staat is en angst heeft om zich autonoom te bewegen.

Het moet langzaam leren te leven zonder in moeders armen te liggen om eigen keuzes te kunnen maken: groei vereist onafhankelijkheid, vrijheid en vermogen om beslissingen te nemen.

Daarom zegt de Heer tot ons dat, als wij Hem liefhebben, wij ons moeten verheugen over zijn terugkeer naar de Vader. Jezus laat ons alleen, opdat wij kunnen groeien, ons leven leiden, laten zien wat wij hebben geleerd, onze overtuigingen tot uitdrukking brengen, dat wil zeggen dat wij kunnen beginnen met lief te hebben.

Zolang als het kind door zijn moeder aan de hand wordt gehouden, zal het zijn liefde niet kunnen tonen, omdat het alles van haar krijgt, zonder zelf enige verantwoordelijkheid op zich te nemen. Alleen wanneer het zijn vrijheid begint te beleven, dat wil zeggen op het ogenblik dat het niet alleen maar leeft van wat het krijgt, maar zelf de middelen voortbrengt om te leven van het eigen werk door zijn verstand, wil en krachten vruchten te laten dragen, alleen dan zal het zijn liefde kunnen tonen door te geven wat het zelf voortbrengt.

Liefde is altijd weten te ontvangen, maar ook weten te geven. Een persoon die alleen maar krijgt, drukt zijn liefde niet uit. Wanneer de Heer terugkeert naar de Vader, biedt Hij ons de mogelijkheid onze liefde te tonen, onze overtuigingen te verkondigen en onze verantwoordelijkheden van kinderen van God op ons te nemen.

Een voorbeeld voor de opvoeders

In deze context biedt de Maagd Maria ons een voorbeeld als opvoedster.

Een moeder voedt een kind goed op, wanneer zij, als het ogenblik daar is, in staat is opzij te gaan, opdat het zijn vrijheid, zijn roeping kan beleven en autonoom zijn keuzes kan maken. Maria geeft ons het voorbeeld hoe men moet liefhebben door toe te laten dat Gods wil in haar wordt verwezenlijkt en de Zoon ten volle zijn vrijheid, zijn keuze en zijn zending beleeft. Het voorbeeld dat ons Maria geeft is het woord van de Heer zonder angst, vrees of schaamte te beleven.

Van dit woord moeten wij getuigen, niet alleen privé, persoonlijk en innerlijk, maar ook publiek, waarbij wij overgaan van de geestelijke leeftijd van de kinderjaren naar die van het volwassen zijn. Op deze wijze worden wij mannen en vrouwen die in staat zijn een antwoord te geven op de ontvangen liefde en dus op de vraag die ieder zich op existentieel vlak stelt: “Wat moet ik doen?”.

De Heer heeft zijn zending tot aan het einde volbracht; Hij heeft zijn bloed vergoten, Hij heeft ons zijn Geest geschonken, Hij blijft te midden van ons en Hij blijft zijn Kerk bijstaan; met de terugkeer van Jezus naar de Vader is het moment aangebroken van het antwoord van onze liefde.

De mens is verantwoordelijk, wanneer hij antwoord op het gehoorde Woord en alle consequenties die dit met zich meebrengt, aanvaardt door de zorg op zich te nemen voor het Lichaam van Christus, dat zijn Kerk is.

Het is belangrijk dat wij bewust de zorg voor de Kerk op ons nemen – te beginnen bij de parochie waar wij leven en concreet werken –, omdat zij ons toebehoort en niet een “servicestation” is, waar men alleen maar komt, wanneer men een of andere dienst nodig heeft.

Behalve dat de Kerk onze Moeder is, is zij voor ons ook een dochter die zich aan ons toevertrouwt, en wij hebben de verantwoordelijkheid haar met onze inzet te doen groeien, opdat zij steeds mooier wordt, want zij is de Bruid van Christus.

Als wij de Heer liefhebben, kunnen wij niet anders dan zijn Bruid liefhebben. Jezus geeft ons de tijd en de mogelijkheid deze liefde te tonen door ieder van ons de gelegenheid te geven zijn kruimel brood en druppel wijn bij te dragen.

Herzien en aangepast uittreksel van E. Grasso, Lo crucificaron por miedo a la verdad.
El itinerario de la Semana Santa
, Centro de Estudios Redemptor hominis

(Cuadernos de Pastoral 30), San Lorenzo (Paraguay) 2013, 23-33.

(Wordt vervolgd)

 

 

_____________________

[1] J. Ratzinger, Il cammino pasquale. Corso di Esercizi Spirituali tenuti in Vaticano alla presenza di S.S. Giovanni Paolo II, Ancora, Milano 1985, 85.

 

(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)

 

 

13/04/2021