De tijd van de hoop heeft niets te maken met de terugkeer naar de zekerheden van het verleden
Een spookachtige woestijn, eenzame bergspitsen en daar boven, afgelegen in de leegte, het Fort Bastiani, waar Giovanni Drogo, de hoofdpersoon van de bekende roman van Dino Buzzati (1906-1972) De woestijn van de Tartaren[1], waarop Zurlini de gelijknamige film baseerde, zijn hele leven wacht op de aanval van een mysterieuze vijand die nu juist uit de woestijn zal komen.
![]()
Angst, het absurde, het irreële, constanten in de geschriften van Buzzati, vindt men terug in dit allegorische sprookje, waar het thema van het bekommerde, metafysische wachten dat zich in de vertelling ontwikkelt in overvloed aanwezig is.
Daar wacht, opgesloten in Fort Bastiani, Giovanni Drogo, onbeweeglijk in deze uitgestrektheid zonder hoop, een vijand en een
roem die alleen maar met de trekken van een stille dood zullen komen: het is de mislukking van een leven dat gebroken is door een alledaagse monotonie. Het is de geschiedenis van een man in de tijd, geklemd tussen de zinsbegoocheling van het wachten en de uiteindelijke, verplichte overgang van de dood.
Wij vinden in deze roman van Buzzati opnieuw diepe analogieën met het toneel- en filosofische genre dat wordt gedefinieerd als het “theater van het absurde”. Van dit “theater van het absurde” is het toneelstuk Wachten op Godot van de Ierse toneelschrijver Samuel Beckett (Nobelprijs voor de literatuur 1969) zeer bekend. Hiervan zei men dat Beckett het theoretisch onmogelijke had verwezenlijkt: een werk waarin niets gebeurt, maar dat de toeschouwers aan hun stoel gekluisterd houdt. Bovendien kan men, wanneer men in aanmerking neemt dat het tweede bedrijf een enigszins andere herhaling van het eerste is, goed zeggen dat Beckett twee keer een werk heeft geschreven waarin niets gebeurt.
Leven in een voortdurende illusie
In dit symbolische verhaal komen trekken naar voren die het leven van de mens kenmerken: het wachten dat op niets is gebaseerd, de illusie die zinsbegoocheling wordt en de leegte die zich vult met... leegte.
Het is alsof je de echo hoort van een zeer vaak geciteerde passage uit een van de belangrijkste prozawerken uit de hedendaagse Afrikaanse literatuur, L’aventure ambiguë, waar de auteur, Cheikh Hamidou Kane, een van de personages laat zeggen:
“Vreemd, dacht Lacroix, deze aaneen van de personagestrekkingskracht van het niets op wie niets hebben. Hun niets noemen ze het absolute. Zij keren het licht de rug toe, maar hun blik is vast op het duister gericht”[2].
Aan het begin van het derde millennium vinden wij de grote existentiële vragen terug waaraan het volkomen nutteloos is te willen ontsnappen. Ze plaatsen zich in het middelpunt van ons leven, ze liggen op de loer op de hoek van de straat, zij komen op onze weg en laten ons niet met rust.
Iedere poging om ver te vluchten is nutteloos. Op de een of andere manier bevinden wij ons allen in het Fort Bastiani, wij blijken allen te moeten afrekenen met een vijand en een strijd onder ogen zien.
Dat is de existentiële toestand van de mens waaraan men niet ontkomt.
Er gaat in ons allen altijd de grote verleiding schuil om de existentiële angst van ons zijn in de tijd te vullen door de tijd die wij niet kunnen stoppen en die wij tevergeefs ons trachten toe te eigenen om er meester over te zijn, te doen stilstaan.
Wij kunnen zeggen dat heel ons leven wordt besteed en op het spel wordt gezet in de dialectiek tussen illusie en hoop.
Tot ons verdriet moeten wij ons er bewust van worden, zoals Paul Valéry schreef, dat
“de maatschappij alleen maar van illusies leeft. Iedere maatschappij is als het ware ten prooi aan een collectieve droom. En deze illusies worden gevaarlijke illusies, wanneer zij ophouden te misleiden. Het ontwaken uit dit soort droom is een nachtmerrie”[3].
Daarom dient de markt van de illusies gecontroleerd te worden, up to date gehouden te worden, indien nodig, steeds met nieuwe producten vernieuwd en hiervan voorzien te worden.
Wanneer de Franse historicus François Furet opnieuw het idee van communisme bestudeert, waarmee heel de afgelopen eeuw gepaard is gegaan, heeft hij niets beters kunnen vinden dan juist de illusie als hermeneutische sleutel aan te nemen en dientengevolge te spreken van het verleden van een illusie[4].
Voor Schopenhauer,
“laat de luchtspiegeling in de verte ons paradijzen zien die als optische illusies verdwijnen, nadat wij ons hebben laten betoveren. Daarom is het geluk altijd in de toekomst of in het verleden gelegen, terwijl het heden als een donker wolkje is dat de wind voortdrijft boven een zonnige vlakte: van voren en van achteren is alles helder; alleen houdt dit heden niet op een schaduw te werpen”[5].
“Hoeveel illusie is er nodig voor de mens om goed te leven!”[6].
Inderdaad, zonder illusies – schrijft Nietzsche – kan men niet leven. Het leven heeft illusies nodig, d.w.z. het heeft niet-waarheden nodig die voor waarheden worden gehouden. “Wie aan de illusie voor zich en anderen een einde maakt, wordt gestraft door de natuur, die erger is dan een tiran”[7].
Ook Pascal constateerde dat het menselijk leven alleen maar een voortdurende illusie is: het doet niets anders dan zich afwisselend vleien en zich voor de gek houden. De mens is slechts versluiering, leugen en hypocrisie ten opzichte van zichzelf en anderen. Hij wil niet dat men hem de waarheid zegt, hij vermijdt het om deze tegen anderen te zeggen; en al deze neigingen,
die zo ver afstaan van de gerechtigheid en de rede, vinden hun natuurlijke wortel in zijn hart[8].
Opgesloten in het Fort Bastiani, in de afgelegen leegte van de woestijn van de Tartaren, beleeft ieder van ons door het heden van zich af te zetten en te vluchten in het verleden of in de toekomst de illusie dat hij zich voorbereidt op een beslissend gevecht dat hem als overwinnaar zal brengen buiten die irreële absurditeit, die spookachtige eenzaamheid.
Zoals de heilige Augustinus leert, vindt de tijd in het zich uitbreiden van het innerlijk leven van de mens door aandacht, herinnering en verwachting, in de innerlijke continuïteit van het bewustzijn, dat in zich het verleden bewaart en zich uitstrekt naar de toekomst, in de ziel zijn werkelijkheid. De toekomst is er nog niet, maar er is in de ziel de verwachting van de toekomstige dingen; het verleden is er niet meer, maar er is in de ziel de herinnering aan de voorbije dingen; het heden is zonder duur en gaat in een ogenblik voorbij, maar in de ziel duurt de aandacht voor de huidige dingen voort[9].
De heilige Augustinus leert ons dus dat wij in het bewustzijn dat over zichzelf reflecteert en niet in de illusie vlucht, de beslissende methode moeten vinden om het fundamentele probleem van de authentieke betekenis van de tijd op te lossen.
In Fort Bastiani worden daarentegen de wapens opgepoetst, de plannen herzien, de posities geïnspecteerd, de horizon afgetuurd.
En zo gaan de uren, dagen, maanden en jaren voorbij, terwijl men steeds wacht op een vijand en een gevecht die er nooit zullen zijn.
En zij zullen er ook niet kunnen zijn, omdat de illusie de waarheid heeft verwijderd en uiteindelijk gedood.
__________________
[1] Vgl. D. Buzzati, Il deserto dei Tartari, Mondadori, Milano 2000. Voor een inleiding op het symbolisme van de wereld van Buzzati, vgl. P. Biaggi, Buzzati. I luoghi del mistero, Messaggero di Sant’Antonio, Padova 2001; vgl. L. Bellaspiga, “Dio che non esisti ti prego”. Dino Buzzati, la fatica di credere, Àncora, Milano 2006.
[2] Cheikh Hamidou Kane, L’aventure ambiguë, Éditions du Club Afrique Loisirs, s.l. 1961, 87.
[3] Vgl. P. Valéry, Mauvaises pensées et autres, in P. Valéry, Œuvres, II, Gallimard (Bibliothèque de la Pléiade 148), Paris 1960, 854.
[4] Vgl. F. Furet, Le passé d’une illusion. Essai sur l’idée communiste au XXe siècle, Robert Laffont/Calmann-Lévy, Paris 1995.
[5] Vgl. A. Schopenhauer, Le monde comme volonté et comme représentation, Presses Universitaires de France, Paris 1966, 1335.
[6] F. Nietzsche, Aurora e Frammenti postumi (1879-1881), V/1, Adelphi, Milano 1964, 350.
[7] F.W. Nietzsche, Sull’utilità e il danno della storia per la vita. Considerazioni inattuali, II, in F.W. Nietzsche, Opere 1870/1881, Newton Compton Editori, Roma 1993, 364.
[8] Vgl. B. Pascal, Pensées. Texte établi par L. Brunschvicg, Garnier-Flammarion, Paris 1976, n. 100.
[9] Vgl. N. Abbagnano, Storia della filosofia, I, UTET, Torino 1969, 325-326.
(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)
23/07/2022