Het bijzondere openen voor de universaliteit
Zonder in een gedetailleerde analyse te treden komen wij nu bij de term evangelisatie. Het is vóór alles belangrijk het sterk dynamische karakter te onderstrepen dat de Kerk gericht ziet op horizonten zonder grenzen in een perspectief dat heel het gebied van de menselijke werkelijkheid bestrijkt, dat wil zeggen niet alleen van ieder individueel geweten, maar ook van alle vitale dimensies van heel de mensheid, dat wil zeggen van alle culturen en heel de cultuur van de mens[1].
In deze betekenis is de term evangelisatie co-extensief met de term universaliteit. Hij impliceert daarom een overgaan van het bijzondere naar het universele, het bijzondere kunnen lezen in een universele visie, het kunnen openen van het bijzonder zijn voor het universeel zijn. Het betekent niet een opnemen en verdwijnen van het bijzondere in het universele, maar daarentegen het een met het andere dialectisch kunnen verbinden, het een niet als deel-fractie van het geheel, maar het een, het bijzondere als unieke historische, aan ons gegeven mogelijkheid van de interpretatie van het universele en het universele als unieke mogelijkheid van het bestaan van het bijzondere.
Het thema van de katholiciteit is de grote ontdekking geweest van de theologie van onze eeuw. Voorbereid door figuren als de Lubac en Congar[2] is het met het opnieuw opnemen van de ideeën van de Vaders van de eerste eeuwen volledig aanvaard door het Tweede Vaticaans Concilie, dat de reflectie over de Kerk en haar relatie met de wereld in het middelpunt van haar belangstelling heeft geplaatst. Met Vaticanum II hebben de zendingen voor het eerst op krachtige wijze een plaats gekregen in het debat en de documenten van het Concilie en worden ze niet meer eenvoudigweg beschouwd als een van de zoveel activiteiten. Het decreet over de missionaire activiteit van de Kerk Ad gentes stelt dat de Kerk die leeft in de tijd, “van nature missionair is”[3]. Er is geen Kerk, als er geen zending is. De twee termen zijn co-extensief. De Kerk wortelt haar missionair bestaan in het hart van de Drie-eenheid[4], dat wil zeggen te beginnen bij de liefde van de Vader jegens de Zoon en van de Zoon jegens de Vader. In de Drie-eenheid bevindt zich het maximum aan verschil, omdat de Vader niet de Zoon is; de theologie spreekt immers van een in de relatie tegenover elkaar staan tussen de Vader en de Zoon. Tegelijkertijd is er echter een maximum aan eenheid, omdat zowel de Vader als de Zoon dezelfde Geest, dezelfde natuur en dezelfde substantie hebben. Het trinitaire mysterie is het fundamentele mysterie voor een christen. Het staat niet alleen centraal om het missionaire probleem onder ogen te zien, maar ook om een sleutel tot een oplossing te zoeken voor de problemen van de cultuur van onze tijd, die niet de cultuur van de Drie-eenheid is, daar deze de verschillen heeft verabsoluteerd zonder eenheid te scheppen.
De Kerk is van nature missionair. Als wij het met deze premissen hebben over opvoedkundige trajecten voor jongeren, dan betekent opvoeden tot de zending niet de jongeren vormen voor een van de zoveel werkelijkheden overeenkomstig de visie van een bepaalde sector. Jongeren opvoeden tot de zending wil zeggen hen opvoeden tot het Kerk zijn zelf, tot de dimensie van de katholiciteit van de Kerk. Als deze van nature missionair is, dan betreft de zending allen en is zij niet alleen de taak van de leden van de ad hoc gedelegeerde missionaire instituten. Missionair zijn is een essentiële en niet accidentele, bijkomstige of vervangende dimensie, anders is men niet katholiek.
Als het voor alles noodzakelijk is op te voeden voor de dimensie van het Kerk zijn, dan moeten wij ons vragen stellen over wat de Kerk is.
Het Tweede Vaticaans Concilie herneemt een uitdrukking van de heilige Gregorius de Grote die zegt: “Vanaf de rechtvaardige Abel tot de laatste uitverkorene”[5] is de Kerk over de wereld verspreid. Wij moeten altijd twee dimensies in overweging nemen, die van de ruimte en die van de tijd, de synchrone en de diachrone dimensie. Wij moeten teruggaan in de tijd, naar de oorsprong, naar Abel om vervolgens vooruit te gaan, totdat wij de laatste mens omvatten. Katholiek zijn wil zeggen alle geschiedenissen en de geschiedenis van de mensen tot de onze te maken, van het begin van de mensheid tot de parousie, in tijd en ruimte, tot aan de uiteinden der aarde.
Men kan niet leven, bidden, een relatie met God hebben zonder de wezenlijke bemiddeling van de Kerk. Dat is het katholieke proprium. De Kerk is echter niet alleen die van vandaag, hier en nu, maar het is de Kerk van altijd, de Kerk die zij geweest is en op alle plaatsen van de aarde tot aan de uiteinden ervan zal zijn.
Als men deze gemeenschap niet beleeft, als men heel deze ruimtelijke-tijdelijke dimensie niet begrijpt, dan is men langzaam al de Kerk van Christus van zich aan het amputeren, dan is men het levenssap aan het verliezen. Daarom is het discours over de zending fundamenteel en niet marginaal; deze laatste wordt vaak verstaan als een eenvoudige filantropische daad ten opzichte van personen die medelijden kunnen opwekken vanwege hun nooddruftige omstandigheden. De zending mag echter nooit gereduceerd worden tot humanitaire hulp aan hen die eens de landen van de Derde Wereld werden genoemd[6].
De missionaire activiteit van de Kerk ten opzichte van deze landen mag niet verstaan worden in de zin van een hulp aan de ontwikkeling, omdat hun economisch gegeven ook zou kunnen veranderen, het niveau van de ontwikkeling zou kunnen evolueren. De zending is integendeel een werkelijkheid die altijd blijft tot aan het einde der tijden.
De opvoeding tot het missionair zijn moet zo worden opgevat dat men deze context van een grote reikwijdte en een grote verantwoordelijkheid voor ogen houdt. Zij moet “van provincialisme ontdaan worden”, dat wil zeggen, zij moet de jongeren
betrekken bij het zich eigen maken van de vreugden, de angsten, het lijden, de hoop, de verwachtingen, de dromen, de hartstochten, het verdriet van alle mensen en vooral van de armsten[7].
Hier gaat een zeer groot terrein open voor een opvoeding tot een wereldomvattende blik, verder dan de grenzen van onze huizen waar deuren en vensters vaak goed gesloten zijn; waar wij in een hoogmoedige zekerheid van onze verworvenheden leven en waar wij de ander niet binnenlaten, omdat hij ons verontrust en stoort.
Het is belangrijk altijd uit te gaan van onze concrete situatie zonder hiervoor te vluchten door onze mond met woorden te vullen of ons hart met gedachten en wensen zonder ons ooit daar in te zetten waar wij geroepen zijn.
Het gaat erom de jongeren zo op te voeden dat zij de grote idealen, de grote utopieën, de grote dromen weten te verbinden met een realisme dat ons concrete gebaren doet maken, dat ons dagelijks verplicht zonder te vluchten voor hetgeen ons vandaag aan het kruis nagelt. Dat is opvoeden tot de katholiciteit, waarbij men uitgaat van een concreet, werkelijk leven.
De evangelisatie en de pastoraal van de jongeren dienen niet als de factor van een sector gedacht en verwezenlijkt te worden, maar binnen één pastorale activiteit of kerkelijke praktijk, door middel waarvan de Kerk haar evangeliserende zending vervult. De jongerenpastoraal dient een plaats te krijgen binnen een organische pastoraal die aandacht heeft voor de toestand van de jongeren die niet alleen beschouwd moeten worden als een object van evangelisatie, maar tegelijkertijd als actieve en verantwoordelijke subjecten van zending[8].
Het is noodzakelijk terug te keren tot het discours aan het begin, tot het in overweging nemen van de trinitaire werkelijkheid, de bipolariteit van de relatie tussen Vader en Zoon. Zoals de Vader naar de Zoon gaat en de Zoon naar de Vader, zo gaat de opvoeder naar de jongere en de jongere naar de opvoeder. Dit gaan is een vermogen tot geven, maar tegelijkertijd tot het kunnen ontvangen, kunnen luisteren. Tussen leraar en lerende, tussen jongere en opvoeder moet steeds meer een verschil, een tegenstelling van relatie ontstaan. Het is nutteloos dezelfde leeftijd voor te wenden, dezelfde liefdes, dezelfde vriendschappen, dezelfde verlangens als de eigen zoon of de jongere die wij moeten opvoeden. Bij het onderscheid is het echter noodzakelijk eenheid te scheppen en te streven naar dezelfde liefde.
Ieder is drager van een eigen natuur die wordt geconditioneerd door de grenzen van zijn eigen historische wezen.
Men kan niet van huid veranderen, men kan er niet van afzien een mens met een cultuur te zijn of een aantal, door zeer veel factoren bepaalde rijkdommen ontvangen te hebben. Hetgeen men ontvangen heeft, dient echter ten dienste gesteld te worden van wie anders is: dat is eenheid, gemeenschap scheppen. Er moet namelijk communicatie, een proces van circuminsessio, perichorese plaatsvinden. Dat komt tot stand, als wij op het ogenblik van verdriet en moeilijkheden de eenheid au maximum d’urgence (als het meest noodzakelijke) ervaren.
Om bij de jongeren de rijping van een missionair geweten te stimuleren is het noodzakelijk een nieuwe cultuur van een wereldomvattende, interculturele blik te scheppen. Alle thema’s die de wereld van de jongeren steeds meer moeten doordringen, zoals dat van vrede en gerechtigheid, dienen bevorderd te worden[9]. Het is belangrijk de jongeren een historisch onderzoek van ons verleden voor te houden om te laten zien hoeveel wij alvorens de illusie te hebben zeer veel goede werken te doen moeten teruggeven van hetgeen wij hebben ontvangen. Het is noodzakelijk in de juiste termen het probleem van humanitaire hulp onder ogen te zien, ook te ontdekken welke belangen er achter internationale samenwerking, oorlogen en bewapening staan. Het is noodzakelijk de jongeren erbij te betrekken, opdat de vreugde, angsten, lijden, de problemen van de mensen die van hen worden.
Het is belangrijk hen op te voeden tot een gezond christelijk realisme dat onze ogen doet opengaan voor al de gebeurtenissen die wij meemaken, door deze vrij van ideologische parameters of messiaanse illusies te analyseren die ons in de wanhoop of meest absolute onverschilligheid jegens alles en allen storten.
God is Vader van allen en allen hebben het recht om Hem te kennen en lief te hebben. Wij hebben de taak van deze verkondiging, wij zijn geroepen de mensen van vandaag God te laten ontmoeten. Wanneer de ontmoeting eenmaal tot stand is gekomen, zal vervolgens ieder overeenkomstig de eigen vrijheid een antwoord geven. Aan de kant van de opvoeders blijft de zware verantwoordelijkheid om de talenten die hun zijn toevertrouwd, te beheren. Wij mogen uit een slecht verhuld verlangen om als de ander te willen zijn de talent dat wij kennen uit het evangelie niet begraven, in de veronderstelling deze te bewaren, terwijl wij misschien onze veroordeling of zeker onze steriliteit hebben getekend.
Dit alles wil, vertaald in de relatie leraar-leerling, zeggen: het vermogen te begeleiden om te ontdekken dat het persoonlijke bestaan en de eigen ontwikkeling als voorwaarde voor een mogelijkheid de opening naar de ander vereisen, een opening naar een gemeenschap die steeds universeler wordt, niet alleen in ruimte, maar ook in tijd. Universaliteit die het niet toelaat ook maar iets te laten ontsnappen van hetgeen het bestaan heeft gehad, heeft of zal hebben.
Ieder ontdekt de homo absconditus die in hem is, alleen maar door buiten zichzelf te treden, dat hem ertoe brengt zijn oudste wortels en zijn meest toekomstige vruchten te bereiken. Bij de daad zelf waarmee men afdaalt in de diepten van zichzelf uit een vroeger verleden, moet men ook gaan naar de tijden en de ruimten die verder van ons verwijderd zijn. Tijden en ruimten in de
ruimste zin: maatschappelijk, economisch, cultureel, godsdienstig, menselijk.
Zoals de Kerk, die van nature missionair is, is ook de mens van nature missionair. Het feit dat de zending gebaseerd is op de trinitaire liefde, op de trinitaire voortkomsten, brengt met zich mee dat deze missionaire structuur in de natuur zelf van de mens staat geschreven.
De mens, die geschapen is naar het beeld en de gelijkenis van God, is immers het beeld van de Drie-eenheid.
Hij draagt in zich deze trinitaire structuur, die het hem niet toestaat in zichzelf opgesloten te blijven zonder heimwee te voelen naar het verloren paradijs.
De mens is op een athematische en niet conceptuele wijze drager van deze opening voor het universele, voor de ander, het proces van buiten zichzelf treden en ontlediging dat wij op een thematische wijze zending noemen.
De jongeren begeleiden naar de ontdekking van deze universele opening, die in christelijke categorieën wordt uitgedrukt in de termen zending-apostolaat-evangelisatie, is voor ons geen optie, maar een recht/plicht van ons gedoopt zijn.
Met de heilige Augustinus en de heilige Thomas hebben wij eraan herinnerd dat de enige en ware Leraar de Heer is en dat het alleen aan de menselijke leraar toekomt de jongeren te begeleiden tot de ontdekking van de Waarheid die in Christus Jezus mens geworden is, een Waarheid die Christus is, die met de menswording zich op een bepaalde wijze zich met iedere mens heeft verenigd[10]. Door dit mysterie van de menswording is de mens in zijn onherhaalbare en bijzondere werkelijkheid en in de volle waarheid van zijn bestaan de eerste en fundamentele weg die de Kerk moet afleggen in de vervulling van haar zending[11].
Op de wegen van de wereld wijst deze mens ons op de weg die moet worden afgelegd. In de ogen van de jongeren lezen wij welke vorm de evangelisatie moet aannemen om ervoor te zwoegen dat de homo absconditus een volmaakte vorm kan aannemen.
________________________
[1] Vgl. E. Nunnenmacher, Evangelizzazione, in Pontificia Università Urbaniana, Dizionario di Missiologia, Dehoniane, Bologna 1993, 251-252.
[2] Aangeraden wordt de lectuur van H. de Lubac, Cattolicismo: aspetti sociali del dogma, Jaca Book, Milano 1992; vgl. H. de Lubac, Meditazione sulla Chiesa, Jaca Book, Milano 1979.
[3] Ad gentes, 2.
[4] Vgl. Ad gentes, 2.
[5] Vgl. Lumen gentium, 2.
[6] Zoals bekend is, heeft men de uitdrukking Derde Wereld te danken aan Alfred Sauvy, die in een artikel in “L’Observateur” van augustus 1952 schreef: “Deze genegeerde, uitgebuite, als de Derde Staat geminachte Derde Wereld, wil ook zij iets zijn”; vgl. O. De Solages, Réussites et déconvenues du développement dans le Tiers Monde. Esquisse de l’histoire d’un mal-développement, L’Harmattan, Paris 1992, 5.
[7] Vgl. Gaudium et spes, 1.
[8] Vgl. S. Pintor, Giovani, gioventù, in Pontificia Università Urbaniana, Dizionario di missiologia ..., 272-273.
[9] Vgl. S. Pintor, Giovani, gioventù, ..., 275.
[10] Vgl. Gaudium et spes, 22; vgl. Redemptor hominis, 13.
[11] Vgl. Redemptor hominis, 14.
(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)
14/05/2023