Deel vier

 

Het witte steentje weten te lezen

De aan het begin gestelde vraag hoe ‘de jongeren voor de evangelisatie te vormen’, dient te worden omgekeerd.

De vraag omkeren wil zeggen dat wij niet uitgaan van een idee van evangelisatie dat wij hebben, om vervolgens te zien hoe wijAcompañar a los jóvenes 5 1 de jongeren in dit idee een plaats kunnen geven.

De vraag omkeren wil zeggen dat wij als de weg die wij moeten afleggen, werkelijk de verantwoordelijkheid op ons nemen voor de concrete mens die wij ontmoeten, de echte en historische mens die wij tegen het lijf lopen, en niet een abstracte en denkbeeldige mens.

Dit de verantwoordelijkheid op ons nemen brengt ons tot een ontledigende weg waarop wij langzamerhand al onze zekerheden verliezen en onze armoede ontdekken als een vóór alles religieuze armoede, culturele armoede. Armoede wil zeggen dat wij geen vooraf bedachte oplossingen, schema’s voor een verklaring die wij alleen maar hoeven toe te passen, meer hebben.

In de relatie met jongeren verifiëren wij, evenals in de relatie met de armen, ons geloof.

Het geloof, dat theologisch “het begin van het zien” is, staat ons toe de diepe wereld te zien die wij niet kunnen waarnemen met de ogen van het vlees.

Toestaan dat de diepte van het hart van de jongeren de evangelisatie gestalte geeft, is alleen maar mogelijk voor wie de woorden weet te lezen die in deze harten geschreven staan; dit behoort degenen toe die de dynamiek van het geloof, die niets anders is dan gehoorzaamheid aan het woord van God, serieus nemen.

Vaak vergeten wij dat innerlijke aantrekkingskracht en verkondiging van het evangelie twee werkelijkheden zijn die nauw met elkaar in verband staan. Het betreft twee complementaire, op elkaar gerichte en constitutieve werkelijkheden als twee dimensies van het ene woord van God.

Er is een verenigde actie van uiterlijke verkondiging en innerlijke aantrekkingskracht. Door zich te voegen naar het uiterlijke getuigenis verlevendigt en bevrucht de aantrekkingskracht deze. Deze innerlijke aantrekkingskracht kan geen aanspraak maken op de naam openbaring. Daarom vervangt zij de noodzaak van de verkondiging van het evangelie niet, noch doet zij deze teniet. Deze innerlijke aantrekkingskracht wordt gegeven om de mens van dezelfde natuur te maken als deze, anders onbegrijpelijke wereld die het Rijk van God is. Als de manifestatie van Christus en zijn heilsplan komt van het luisteren naar het evangelie, komt de doeltreffendheid (als bereidheid tot luisteren en kracht om aan te nemen en zich aan te sluiten) van de Acompañar a los jóvenes 5 3aantrekkingskracht[1].

Het steeds diepere begrip van de woorden van de Heilige Schrift, die als enige de evangelisatie vorm geven en die daarom altijd nieuw zijn, – zoals Dei Verbum leert – “groeit: door de beschouwing en de studie van de gelovigen die dit alles in hun hart bewaren, door het innerlijk begrip van de geestelijke dingen dat zij ervaren, door de verkondiging van hen die met de opvolging in het bisschopsambt de betrouwbare geestesgave van de waarheid ontvangen hebben”[2].

Twee verhelderende teksten van Gregorius de Grote wijzen ons erop hoe de Geest die tot ieder lid van het volk van God spreekt, ervoor kan zorgen dat de leraar op zijn beurt leerling wordt van zijn leerlingen die het meest door de geest worden verlicht.

Wij lezen in de homilieën over Ezechiël hoe Gregorius zich tot het volk richt:

“Ik weet immers dat ik meestal veel dingen in de Heilige Schrift, die ik alleen niet heb kunnen begrijpen, heb begrepen door voor mijn broeders en zusters te gaan staan. Door deze ontdekking heb ik getracht ook dit te onderzoeken om mij te realiseren door wie ik dit vermogen tot begrip kreeg. … Daaruit volgt door Gods gave dat de betekenis groeit en de trots vermindert, wanneer ik omwille van u leer wat ik te midden van u onderricht; want – en dat is de waarheid – ik luister meestal samen met u naar hetgeen ik zeg. Derhalve is alles wat ik bij deze profeet minder goed zal begrijpen, te wijten aan mijn blindheid; als ik er daarentegen in zal slagen iets op de juiste wijze te begrijpen, dan is dat door een gave van God te danken aan uw diepe gevoeligheid”[3].

Ook in het Commentaar op Job verlaat Gregorius zich weer op het geïnspireerde oordeel van zijn toehoorders en lezers, bij wie hij een begrip van het Woord van God erkent dat ertoe bijdraagt vorm te geven aan de evangelisatie onder de mensen van zijn tijd.

Gregorius de Grote drukt zich immers als volgt uit:

“Ik laat het aan het oordeel van de lezer over om voor de interpretatie te kiezen waaraan hij de voorkeur geeft. Als Acompañar a los jóvenes 5 2vervolgens geen van de twee interpretaties die ik voorstel, mijn lezer bevredigt, zal ik heel graag hem volgen, als hij erin slaagt een te vinden die meer overeenkomt met de tekst en dieper gaat; ik zal hem volgen, zoals een leerling zijn meester volgt, omdat ik van mening ben dat wat hij beter dan ik verstaat, aan mij persoonlijk wordt gegeven. Wij allen die vol van geloof durven spreken over God, zijn immers instrumenten van de Waarheid. En de Waarheid kan zowel de ander door middel van mij, als mij door middel van een ander haar stem laten horen”[4].

Tot de jongeren van Ecuador sprekend, zei Johannes Paulus II dat “het leven de verwezenlijking is van een jeugddroom”[5].

Ons vermogen bij het begeleiden van de jongeren bestaat erin dat wij hun deze droom laten ontdekken, zich er bewust van te laten worden dat er in het binnenste van hun hart “een wit steentje” verborgen is “waarop een nieuwe naam staat gegrift die niemand kent dan hij die hem ontvangt”[6].

Het is de ontdekking van die witte steentjes, van die nieuwe namen die vorm geeft aan de evangelisatie en die de jongeren evangeliseert.

Emilio Grasso

 

 

___________________

[1] Vgl. R. Latourelle, Révélation, en Catholicisme, XII, Letouzey et Ané, Paris 1990, 1110-1111.

[2] Dei Verbum, 8.

[3] Gregorio Magno, Omelia su Ezechiele, II, II, 1, in Opere di Gregorio Magno, III/2. Omelie su Ezechiele/2. A cura di V. Recchia, Città Nuova, Roma 1993, 48-49.

[4] Gregorio Magno, Commento morale a Giobbe, XXX, 27, 81, in Opere di Gregorio Magno, I/4. Commento Morale a Giobbe/4. A cura di P. Siniscalco, Città Nuova, Roma 2001, 233.

[5] Giovanni Paolo II, All’incontro con i giovani nello stadio olimpico “Atahualpa” (30 gennaio 1985), in Insegnamenti di Giovanni Paolo II, VIII/1, Libreria Editrice Vaticana 1985, 259.

[6] Apok. 2, 17.

 

(Vertaald uit het Italiaans door Drs. H.M.G. Kretzers)

 

 

21/05/2023