De missionaire spiritualiteit van Paolo Manna

 

In de vorige eeuw zijn talrijke heiligen en gelukzaligen tot de eer van de altaren verheven. Dat waren mannen en vrouwen die met hun leven hebben getuigd van hun liefde voor God en zijn Kerk. Op 4 november 2001 werd een nederige missiepriester, Paolo Manna, door Johannes Paulus II zaligverklaard en heeft zich bij hen gevoegd.

Zijn personage staat in nauwe verbinding met de moderne opleving van het missionaire bewustzijn en was van grote betekenis in de geschiedenis van de katholieke missiologie. Hij was de stichter van de Pauselijke Missionaire Unie voor Priesters en een onvermoeibare apostel, die in bepaalde opzichten profetisch was. P. Giovanni Battista Tragella, missionaris van het Pauselijk Instituut voor Buitenlandse Missies en toegewijde medewerker van p. Manna, getuigt dat “deze allesbehalve slechts dromen najoeg; hij besefte goed dat ideeën zich stilletjes verspreiden, maar dat ze uiteindelijk een doorbraak teweeg kunnen brengen”[1]. Daar had hij gelijk in, want veel van wat hij in het begin van de vorige eeuw op papier zette, kan voor ons nu nog een leidraad en een lering zijn. Zijn gedachtengoed en zijn werken hebben op doeltreffende wijze bijgedragen tot een nieuwe visie op de missietheologie en op de evangelisatiemethodes, en ook op de missionaire instituten zelf.

Het leven van Paolo Manna

Het leven van deze grote man valt niet gemakkelijk in een paar regels weer te geven. Bezield door een zeldzame missie-ijver zocht hij te bewerken dat onze Heer Jezus Christus tot aan de uiteinden der aarde zou worden gekend.

Paolo Manna werd op 16 januari 1872 geboren in Avellino (Italië) in een bescheiden en vroom gezin. Na zijn lagere schooljaren in Napels en Avellino trad hij in 1887 toe tot de Società Cattolica Istruttiva (het Katholieke Onderwijs Instituut) in Rome, waaruit de religieuze congregatie van de paters Salvatorianen zou voortkomen. Van 1889 tot 1891 studeerde hij filosofie aan de Pontificia Università Gregoriana. Toch voelde hij zich in die Sociëteit niet helemaal thuis. Bij het lezen van missietijdschriften werd hij sterk geboeid door de gedachte, zelf missionaris te worden, en toen hij een nummer van “Le Missioni Cattoliche” (De katholieke Missies)[2] in handen had gekregen, wendde hij zich tot de directeur ervan om inlichtingen te vragen over hoe hij die droom zou kunnen verwerkelijken, die steeds meer “zijn” definitieve weg bleek te zijn. Hij kreeg antwoord uit Milaan dat hij niet verder hoefde te zoeken: juist daar was er een seminarie om zulke roepingen te vormen.

Op 19 september 1891 trad hij toe tot het Grootseminarie van de Missions étrangères (Buitenlandse Missies) in Milaan en op 19 mei 1894 werd hij priester gewijd. Het jaar daarop, op 27 september 1895, vertrok hij naar de missie van Toungoo in het oosten van Birma.

In zijn enthousiasme over dit nieuwe leven dat begon, schreef hij uit Birma aan zijn overste in Milaan, Mgr. Giacomo Scurati:

“Ik leef mijn leven hier om zelf gered te worden en me te offeren voor het eeuwig leven van deze mensen. En ik ben echt gelukkig dat ik niets anders hoef te doen dan te streven naar dat dubbele nobele doel… Ik denk dat ik de genade van mijn zo verheven roeping als priester en missionaris niet te danken heb aan wat ik zelf gedaan zou hebben om die te verdienen”[3].

Na een voorbereidingstijd om de plaatselijke taal te leren werd hem het district van Momblò bij de Ghekkú toevertrouwd. Ziekte dwong hem in 1902, naar Italië terug te keren. Gedurende zijn verblijf daar publiceerde hij een studie over de Ghekkú, een stam van de Karen in het Oosten van Birma.

Ofschoon hij driemaal achtereen terugkeerde naar zijn missie, moest hij in 1907 door een zware ziekte zijn apostolaat in Birma onderbreken: hij was niet bestand tegen het klimaat daar, dat hem malariakoortsen bezorgde en allerlei pijnaanvallen. Die terugkeer naar Italië, de teleurstelling, de onzekerheid, zijn fysieke afkeer van een “sedentair leven” gaven hem het gevoel een “mislukte missionaris” te zijn. Met heimwee dacht hij terug aan zijn missie. Op 4 juni 1907, kort voordat hij definitief terugkwam naar Italië, schreef hij aan zijn overste:

“Rechtuit en in alle eenvoud gezegd is dit de reden waarom ik terug moet keren. U zult het wel beroerd vinden, iedereen hier vindt het beroerd, maar meer dan alle anderen vind ikzelf het ellendig, ik zie de toekomst heel donker in, zoveel hoop en zoveel plannen voor goede werken kunnen niet doorgaan. Met mijn 35 jaar zie ik mezelf praktisch als nutteloos, als een hinderpaal en een last voor het seminarie, voor mezelf en voor anderen…”[4].

Maar zijn “mislukt zijn” was niets anders dan het plan van de Voorzienigheid: die had hem uitgekozen om heel die missiebeweging te bezielen waarvan hij veertig jaar lang de heraut zou zijn door de zielen en de gewetens wakker te schudden door zijn woord en zijn geschriften.

Hij kreeg de taak, leiding te geven aan het tijdschrift “Le Missioni Cattoliche” en dat zou hij met groot enthousiasme doen. Hij schreef:

“Dit tijdschrift vervult een missie: de missie om de katholieken te herinneren aan hun plicht, apostel te zijn van hun geloof, de missie om bekend te maken hoe het geloof groeit in de wereld en wat de noden zijn van het apostolaat”[5].

Het tijdschrift werd een smeltkroes waardoor en waarin voortdurend ideeën, kleine geschriften, initiatieven, boeken, artikelen in katholieke kranten tot stand kwamen, steeds met het doel, het missie-ideaal en de hartstocht voor de missie te verspreiden.

Om het probleem op te lossen, hoe de gelovigen konden meewerken met het apostolaat, stichtte hij in 1916 de Missionaire Unie voor Priesters. Deze was het resultaat van zijn diepe bewogenheid en zijn vlammende oproepen: “Waarom is heel de wereld nog geen christen?”. “De wereld wordt het eigendom van wie haar verovert en het is aan ons, haar te winnen voor Jezus Christus”[6]. De Paus keurde die Unie goed en maakte haar tot pauselijk Werk. Geleidelijk aan raakte ze verspreid over de hele wereld.

In 1924 wordt p. Manna verkozen tot algemeen overste van zijn instituut dat in 1926 Pauselijke Instituut voor Buitenlandse Missies (PIME) wordt.

In 1927 begon hij aan een lange reis om zijn missionarissen in Azië en de Verenigde Staten op te zoeken. Vrucht van zijn kostbare ervaringen is zijn studie getiteld Osservazioni sul metodo moderno di evangelizzazione (Opmerkingen betreffende de moderne methode van evangeliseren)[7], waarin hij de vormen onderzoekt waarin de evangelieverkondiging in China plaats vond. Daardoor toont hij duidelijk bepaalde aspecten ervan aan die een doeltreffende geloofsverkondiging onmogelijk maken.

Nadat hij in 1934 zijn mandaat als algemeen overste van zijn instituut beëindigd had, zou hij aan het eind van een decennium waarin hij het tot grote bloei had gebracht, benoemd worden tot rector van het Seminarie van Ducenta (Caserta - Italië). De oprichting daarvan was door zijn inzet mogelijk geworden. Hij bleef er steeds zijn werk voor de missie voortzetten en werd benoemd tot internationaal secretaris van de Missionaire Unie voor Priesters. De laatste jaren van zijn leven was hij regionale overste van de zuidelijke sectie van de PIME. Op 15 September 1952 stierf hij te Napels.

Gedurende heel zijn leven heeft hij vele teksten gepubliceerd en verschillende missietijdschriften opgericht om in alle groeperingen van mensen het verlangen te wekken om zich voor de missie in te zetten.

De situatie van de missie

Paolo Manna werd geboren op het eind van de XIXe eeuw. Die tijd kenmerkte zich door een groot missionair élan. In het begin van die eeuw was het religieuze leven weer opgebloeid en waren er veel verenigingen ontstaan om de missionarissen te helpen. Gregorius XVI ijverde daar ook voor. Dat alles vormde de grondslag voor een nieuwe geestdrift die vervolgens zijn volle betekenis zou krijgen.

Voor een deel werd die geestdrift opgewekt en bevorderd door omstandigheden buiten de Kerk. Inderdaad werd Europa toen aangegrepen door echte koortsachtige ijver voor verkenningstochten overal ter wereld. Dat wekte de belangstelling voor verre landen.

De verkenningstochten hadden over het geheel genomen zeker geen apostolisch doel; hun doel was oorspronkelijk van wetenschappelijke aard maar werd al gauw economisch en politiek. De belangstelling die ze wekten voor tot dan toe onbekende streken en volkeren en het meeleven dat ze teweeg brachten door het bekend worden van de armoede van hele volkeren of van andere situaties, die volgens de toenmalige mentaliteit in Europa bijna onmenselijk waren, betekenden bovendien voor de christenen een appel ten goede van wat destijds heette de “buitenlandse missies”.

De koloniale expansie van Europa, begonnen in Afrika, in Oceanië en in bepaalde Aziatische landen, vergemakkelijkte het er binnen te dringen en in actie komen en de missies profiteerden daar ruimschoots van. Deze omstandigheden waren dus slechts een gelegenheid, een kans, geboden aan het elan voor de missie dat door factoren binnen het kerkelijk leven gevoed werd. Het meest typerend daarvoor is de stichting vanaf 1850 van een hele reeks instellingen die apart werden opgericht met het oog op missionaire activiteit[8].

De Kerk in Italië mocht niet ontbreken bij dat elan voor de missie, dus stuurden mannelijke en vrouwelijke ordes en congregaties veel van hun leden naar Azië en Afrika. In de geschiedenis van Italië dient het feit naar voren gebracht te worden, dat daar instituten ontstonden van uitsluitend missionaire aard, met hun eigen aparte kenmerken.

De eerste van die stichtingen was het Instituut voor Buitenlandse Missies in Milaan in 1850, door Mgr. Angelo Ramazzotti, dat zich kenmerkte door het feit dat het gevormd werd door priesters en leken die zich zonder geloften en zonder regels in het missiewerk begaven. In 1926 fuseerde het met het Romeinse Seminarie van de HH. Petrus en Paulus, en vormde zo het Pauselijke Instituut voor de Buitenlandse Missies, beter bekend als het PIME[9]. In dit instituut zou de roeping van p. Manna tot apostel vorm krijgen.

Toen p. Manna in het begin van de XXe eeuw begon met zijn activiteit in Italië, was dit land gewikkeld in de strijd voor zijn nationale eenheid. De economische ontwikkeling van het land bevond zich op een historisch keerpunt: de overgang van een agrarische naar een industriële samenleving in ontwikkeling. De Kerk staat dan voor de uitdaging van nieuwe liberale en materialistische ideologieën en van het modernisme. De grote Europese machten hebben in de wereld nog de koloniale overheersing in hun macht, terwijl er voor het eerst een wereldoorlog op handen is. Die tijd zou in Italië en in heel Europa wel het minst aangewezen kunnen zijn om de gewetens aan te sporen tot inzet voor de missie ad gentes, maar juist in deze context wordt p. Manna “iemand die de gewetens wakker schudt” door heel zijn leven te wijden aan het stimuleren van het missiebesef.

Apostolische kracht

In de brieven die p. Paolo Manna tijdens zijn mandaat van algemeen overste van zijn instituut (1924-1934) schreef aan de missionarissen[10], komt heel de geestelijke spankracht naar voren waarmee hij een radicale en voortdurende bekering nastreefde om de missionarissen geloofwaardiger en hun verkondiging doeltreffender te doen worden. Hij ging recht op zijn doel af en nam daarbij geen blad voor de mond, maar verloor nooit de naastenliefde uit het oog. Juist omdat zijn woorden voortkwamen uit de grond van zijn hart dat in vuur en vlam stond door het probleem van de missie waren ze zo scherp en indringend.

Deze brieven, waarin zijn geestelijke kijk op de missie wordt geschetst, geven blijk van een rijkdom aan apostolische leer die veel verder reikt dan alleen het Pauselijke Instituut voor de Buitenlandse Missies waaraan ze gericht zijn.

Deze visie omvat vele aspecten van het innerlijke groei die iedere missionaris zou moeten doormaken. We zullen enkele fundamentele lijnen van zijn spiritualiteit naar voren brengen: de centrale plaats van Christus, de heiligheid, het gebed en het kruis. Wat we belichten is maar gedeeltelijk vergeleken bij het veelzijdige en samenhangende geheel van p. Manna’s visie, maar het kan ons toch dichter brengen bij zijn missie-spiritualiteit.

De centrale plaats van Christus

Die centraliteit van Christus is duidelijk in al die brieven, ze wekt de hartstocht voor de verkondiging van het evangelie, d.w.z. de hartstocht om het geloof mee te delen aan allen die Jezus nog niet kennen. Maar datzelfde christocentrisme van p. Manna eist tegelijk heiligheid in de trant van een apostelleven, een ten volle evangelisch leven in navolging van de Apostelen. Niet allereerst hoe p. Manna Jezus Christus ziet is bepalend voor zijn denken, maar de persoon zelf van Jezus, die hij bij zich weet, die hij hartstochtelijk liefheeft en die het hart is van zijn leven en de bestaansreden van de Missie[11] .

Hij toont duidelijk dat we het er allen eens over moeten zijn dat Christus moet heersen: “‘Oportet Illum regnare’. Jezus Christus moet – zegt hij – ‘op deze aarde heersen zoals in de hemel; het is dus nodig dat alle mensen Hem kennen, en niet alleen maar enkele bevoorrechten’”[12].

P. Manna is iemand die verliefd is op Jezus; voor hem is het onmogelijk, zoals hij in een van zijn brieven schrijft, Jezus te volgen zonder Hem lief te hebben:

“Je kunt onmogelijk Jezus Christus van nabij gaan volgen, als je Hem niet heel vurig liefhebt: maar om Jezus Christus zo lief te hebben dat je alles achterlaat om Hem op de weg van het apostolaat te volgen, is er een sterke geest van zelfverloochening en offervaardigheid nodig, want op aarde is het niet mogelijk Jezus lief te hebben zonder jezelf geheel op te offeren” (L 22, 414).

Jezus vergt onthechting, zelfverloochening en offers van je. Wie liefheeft begrijpt wel waarom. Hij is de Liefde zelf: Hem van nabij mogen volgen is een groot voorrecht en het enige echte geluk. De vele vormen van zelfverloochening die de Heer van zijn missionarissen vraagt zou je kunnen zien als bewijzen van liefde, want aan hem die zich weet te geven, schenkt Hij zichzelf (vgl. L 18, 335).

In de ogen van Paolo Manna moet het leven en de missie helemaal afgestemd zijn op Jezus: “Alles voor Jezus” moet het devies ervan zijn.

“Onze vorming dient erop gericht te zijn, Jezus zo onuitwisbaar in te prenten in de geest en in het hart van onze kandidaten, dat heel hun leven geleidelijk aan een weergave wordt van dat van Jezus; zo alleen zullen ze onze Goddelijke Meester goed kunnen vertegenwoordigen bij de volkeren en zijn zending op waardige en vruchtbare wijze voort kunnen zetten” (L 6, 103).

De missionaris moet “een andere Christus” zijn (L 8, 136), hij stelt inderdaad niets voor als hij Jezus Christus niet in zijn eigen persoon belichaamt (vgl. L 6, 90).

Heiligheid

Om te worden zoals Jezus Christus moet de missionaris heilig zijn, en daar zal van afhangen wat zijn apostolaat teweegbrengt.

“Voor ons dient vooral onze persoonlijke heiliging belangrijk te zijn. Alleen wanneer missionarissen zelf heilig zijn, zullen ze anderen tot heiligheid kunnen brengen. Ieder apostolaat dat van een ander fundament uitgaat is louter verspilde energie” (L 9,149).

Je kunt niet gaan missioneren als je zelf geen levend getuigenis bent van wat je verkondigt, want “onze heiligheid is een absolute voorwaarde voor het welslagen van onze missie, en ons mislukken is niet alleen een schade die we onszelf aandoen, maar ook een schade die we de zielen toebrengen” (L 19, 363).

Dat was voor p. Manna zo fundamenteel voor het apostolaat, dat hij zelfs schreef:

“Ik word het niet moe dit te herhalen, want het moet een grondregel zijn in ons missionarisleven. Als wij een zending te volbrengen hebben die verlossing brengt bij de miljoenen zielen die ons worden toevertrouwd, moet onze deugdzaamheid naar verhouding evenredig groot zijn” (L 19, 383).

Dat is een echte zorg voor hem:

“Ik sprak van de miljoenen zielen van wie het heil grotendeels in onze handen ligt, aan onze ijver is toevertrouwd. Dat is werkelijk een enorme verantwoordelijkheid!” (L 19, 383).

Groot apostel als hij was, geeft hij de weg aan om heilig te worden:

“We moeten alleen niet vergeten wat we beloofd hebben, wat we gegeven hebben. We behoren niet meer toe aan onszelf: sint Paulus zegt het ons: ‘U bent niet van uzelf…’, we zijn van Jezus Christus, door Hem gekocht met de prijs van zijn bloed’, we hebben even vaak vrijwillig aan Hem verkocht als we ons hebben weggeschonken” (L 19, 359).

Terwijl hij zo aandringt, vergeet hij niet middelen aan te geven om die heiligheid te bereiken, en dat zijn vooral het gebed en het offer.

Maria Grazia Furlanetto

(Wordt vervolgd)

 

 

__________________

[1] G.B. Tragella, Un’anima di fuoco: P. Paolo Manna (1872-1952), PIME, Napoli 1954, 275.

[2] “Le Missioni Cattoliche”, het oudste Italiaanse missietijdschrift – het heet tegenwoordig “Mondo e Missione” (Wereld en Missie) – begon in 1872 te verschijnen. Het ontstond en ontwikkelde zich in dienst van de missies. Oprichters ervan waren de twee personages die toen de leiding hadden van het Seminarie van de Buitenlandse Missies in Milaan, Mgr. Giuseppe Marinoni, overste, en p. Giacomo Scurati, de tevoren missionaris in Hong Kong was en vervolgens de hulp en opvolger van Marinoni werd, vgl. P. Gheddo, Dai nostri inviati speciali. 125 anni di giornalismo missionario da Le Missioni Cattoliche a Mondo e Missione (1872-1997), EMI, Bologna 1997, 14-15.

[3] G.B. Tragella, Un’anima di fuoco..., 43.

[4] G.B. Tragella, Un’anima di fuoco..., 139.

[5] G.B. Tragella, Un’anima di fuoco..., 149.

[6] P. Gheddo, Dai nostri inviati..., 31.

[7] Zie voor een kritische samenvatting van deze tekst G. Butturini, La “fine delle missioni” in Cina nell’analisi di Padre Manna 1929, EMI, Bologna 1979.

[8] Vgl. J. Bruls, Lo slancio missionario del secolo XIX, in Nuova Storia della Chiesa, V/2. La Chiesa nel mondo moderno, Marietti, Torino 1979, 239-242.

[9] Vgl. S. Tramontin, La Chiesa in Italia dal 1861 al 1943, in Nuova Storia della Chiesa, V/2..., 404-405.

[10] Vgl. P. Manna, Virtù apostoliche. Lettere ai missionari. Onder leiding van het Office historique du PIME, EMI, Bologna 1997, 7. In dit werk worden fragmenten uit de brieven van Paolo Manna in de tekst aangehaald met de afkorting L, gevolgd door het nummer van de brief zoals in de gebruikte uitgave en door de pagina.

[11] Vgl. J. Esquerda Bifet, Prefazione, in P. Manna, Virtù apostoliche..., 9-10.

[12] G.B. Tragella, Un’anima di fuoco..., 272.

 

(Vertaald uit het Frans door een Zuster bekend aan de redactie)

 

 

10/07/2024