De missionaire spiritualiteit van Paolo Manna

Deel een

 

Zijn gebedsleven

Manna vindt dat het leven van een missionaris in relatie met God moet staan, vooral door zijn intieme omgang met Christus, en dat er geen missie mogelijk is zonder de geest van gebed.

“Meditatie en gebed zijn voor een missionaris dus zijn krachtbron, de enige echte bron en drijfveer van zijn ijver, van zijn volharding, van zijn succes. Als een missionaris een half uur mediteren al lastig vindt, verstrooid zijn brevier bidt en slordig de H. Mis doet, als hij niet bepaald vertrouwd is met het H. Sacrament en met O.L. Vrouw… en als hij meent het te druk te hebben met zijn werk en met wat hij tot stand moet brengen, om nog serieus te kunnen mediteren en andere vrome oefeningen te doen, is hij maar een armzalige dromer: hij werkt tevergeefs en wat hij doet houdt geen stand, de projecten waar hij het misschien ook alsmaar over heeft, zijn niets dan loos gepraat, dikwijls uiting van een lege en oppervlakkige geest” (L 6, 89).

Paolo Manna onderstreept uitdrukkelijk dat een echte missionaris iemand is met een intens innerlijk leven, trouw aan het gebed, in een voortdurende geestelijke gebedsgesteltenis beleeft hij een verbondenheid die hem blijft vervullen zelfs wanneer hij volstrekt eenzaam is. Manna ziet het gebed en de meditatie als de voorwaarde die het de missionaris mogelijk maakt, te volharden in zijn roeping, en te grote activiteit acht hij gevaarlijk voor het leven van de missionaris zelf:

“Onze missionarissen zijn soms wat al te zeer missionaris: al te zeer aan de buitenkant bezig, al te zeer bezig voor de anderen. Je dient het buitensporige te vermijden en het actieve leven beter met het contemplatieve te verenigen” (L 13, 201).

Voor een missionaris is dus de regelmatige beoefening van het gebed onmisbaar: is die er niet, dan “meent hij wel dat hij leeft, maar integendeel is hij dood” (vgl. L 17, 297), want een missionaris die niet bidt en niet vertrouwd is met God maakt zich druk en verzet misschien ook veel werk, maar hij rekent alleen op zijn eigen kundigheid, zijn eigen inzichten, zonder te bedenken dat alles wat niet van God komt, te gronde gaat (vgl. L 17, 301).

In zijn rondzendbrieven spreekt p. Manna voortdurend over het gebed en biedt hij middelen en mogelijkheden, voorbeelden en manieren aan om er tijd voor te vinden, spirituele en apostolische motieven.

De aanbeveling: “‘We moeten altijd bidden’ geldt voor iedereen: voor ons als een wet, een noodzaak, een onontbeerlijke voorwaarde om te slagen in de zending van godswege die we op ons hebben genomen en om alle moeilijkheden te overwinnen die daar strijdig mee zijn” (L 6, 94).

Hij spoort zijn missionarissen aan met de woorden:

“Voor het heilig Tabernakel zult u de mooiste uren beleven van uw bestaan, de uren die ook die voor uw apostolaat het meeste voordeel opleveren: U zult uw pasbekeerden daarnaar toe trekken en ze beslist beter zien worden” (L 6, 102).

Het kruis

Manna vergeet de christelijke leer van het kruis en van de offergeest niet. Hij slaat geen onbuigzame, strenge toon aan, maar vraagt waarachtige verzaking aan alles wat de openheid voor Gods liefde en de naastenliefde in de weg staat. Voor een missionaris is het ontdekken van de zin van het kruis in de offers van iedere dag een bron van vreugde en geluk[1].

Voor Manna is

“elke ijver die niet uit het kruismysterie voortkomt een bevlieging die geen stand houdt, want alleen het voorbeeld van wat Jezus Christus voor de mensen heeft geleden kan ons daadkrachtig aansporen om de offers op ons te nemen die ieder groot werk van waarachtige ijver met zich meebrengt. Als we echte minnaars zijn van de gekruisigde Jezus, zullen we ongetwijfeld grote zielenvissers zijn” (L 6, 91-92).

Werkelijk, hij beklaagt de missionaris die het kruis niet in het middelpunt plaatst: “Wat een armzalige missionaris, wat een arme aspirant is hij die zijn roeping in een ander licht ziet dan in dat van Calvarië, en die wel oog heeft voor veel boeken maar weinig voor zijn gekruisigde Heer” (L 15, 232).

Hij zegt zonder aarzelen: “Voor het apostolaat moet iemand een robuust karakter hebben, een sterk temperament, een vastbesloten wil. Ver van ons dan de krachteloze geesten, mensen die veeleisend zijn, overmatig bezorgd voor hun gezondheid…” (L 22, 407), want wie apostel wil zijn moet het kruis liefhebben, niet slechts als een ideaal, maar met al het lijden, ontberingen en zelfopoffering die het met zich meebrengt; zo alleen worden mensen gered, zoals Jezus Christus ze heeft gered “door zijn heilig kruis” (vgl. L 22, 408-409). Het kruis zal altijd tekenend zijn voor een leven van de liefde die tot totale zelfgave leidt, die noodzakelijk is om het grote werk dat Jezus Christus ons heeft nagelaten, tot voltooiing te brengen.

De kracht van zijn leven: “Voor u alleen besta ik”

De geestelijke visie van p. Manna vloeide voort uit zijn intieme band met Jezus. “Al vanaf zijn vroegste jeugd was hij vast overtuigd van de werkelijke tegenwoordigheid van de Heer in de Eucharistie en beleefde hij deze heel sterk”[2]. In dat geloof vond hij de kracht om een nieuwe wijze van missionaris-zijn uit te vinden en te scheppen.

“Hij leefde helemaal van Jezus Christus, omdat hij Hem zonder ophouden bleef bestuderen”[3]. Paolo Manna was inderdaad, zoals Pater Tragella hem omschreef, “een ziel een en al vuur”. Deze pater was een grote vriend van hem en zijn naaste medewerker. Hij herinnert hem zich als volgt:

“P. Manna hield razend veel van Jezus Christus. Dat kan ’n ongelukkige en bijna oneerbiedige zegswijze lijken, maar ik onderschrijf die ten volle, want mij lijkt dat ze werkelijk de geestdrift van p. Manna’s hart voor de goddelijke Verlosser weergeeft. Zegt heilige Paulus eigenlijk niet hetzelfde als hij beweert, wel ‘verdoemd’ te willen zijn omwille van Jezus Christus? Hoe anders Manna’s veelvuldige en langdurige bezoeken bij het Heilig Sacrament van liefde te verklaren?”[4].

Zoals we hierboven al hebben aangegeven, komt alles wat hij schreef in zijn brieven aan de missionarissen voort uit zijn eigen dagelijkse leven: eerst had hij zelf die grondbeginselen toegepast die een missionaris ertoe brengen een heilige te worden, een waarachtig door Christus gezonden apostel, naar het voorbeeld van de heilige Paulus. Liever en juister dan te spreken van zijn grondbeginselen, moet gesproken worden van zijn vurige liefde voor Jezus Christus, een liefde die het offer, het kruis en de vreugde inhoudt, omdat alles daar verbonden is met het doen van Gods wil: “De Wil van God is het grondbeginsel en de bestaansreden van alle goed: buiten Gods wil is er slechts kwaad, zonde en verdoemenis” (L 16, 255).

Hij ziet de roeping tot missionaris als zijn eigen liefde voor God die gaat tot de volledige opoffering van zichzelf. Als een roeping dat niet is, is ze niets (L 19, 358). Dat alles wil en doet Manna juist, omdat “het geheim om alle dagen van je leven in pure vreugde door te brengen en al op aarde te beginnen van het paradijs genieten, nu juist gelegen is in de liefde voor het kruis, in het gegeven dat je het offer met graagte op je neemt uit liefde tot Jezus Christus” (L 22, 432). Gaan lijden in de missie betekent immers naar de ware vreugde toegaan (vgl. L 22, 433).

Hij was een man van gebed die hartstochtelijk veel van Christus hield. En alleen die liefde voor Jezus Christus maakte dat zijn denken altijd volop bruiste van leven, vol aandacht, zowel voor de stemmen die hem zijn eigen zorgen leken weer te geven en zijn verlangen om het apostolaat op verstandigere en aangepastere wijze te begeleiden, als voor alle problemen die hij zag aangaande een meer intelligente en doeltreffende manier om het evangelie aan de heidense volkeren aan te bieden[5].

“‘Bedien U van mijn leven voor uw werk. Ik ben er alleen maar voor U. Zo bad p. Manna iedere dag tot de hemelse Vader”[6]. En dat heeft de Heer ook gedaan om Zijn Naam aan zoveel verre volkeren bekend te maken.

De uitdrukkingswijze

Manna heeft talloze werken tot stand gebracht, juist omdat hij zelf ervaren had dat er veel gedaan kon worden voor de uitbreiding van Gods Rijk op aarde.

Zelfs tijdens de tien jaren van zijn apostolaat bij de Guekkú gaf hij zich volledig en met liefde, en degenen die zijn onstuitbare temperament kenden, zijn ongeduld bij het wachten, kunnen zich indenken wat een heftige liefde hem aanmoedigde en kracht gaf in zijn hulp aan de mensen[7]. Hij hield van het missiewerk en was steeds vol bezorgde ongerustheid over het apostolaat dichtbij en veraf, van nu en van later. Daarom voelde hij zich een “mislukte” missionaris, toen hij zich gedwongen zag terug te komen en hij leed daar erg onder. Doch dit verlies van zijn missie heeft ertoe bijgedragen, dat hij met steeds grotere hartstocht poogde een beroep te doen op het hart van de jongeren, waarbij zijn blik zich uitstrekte tot het hele gebied van het apostolaat[8]. Hij zat vol ideeën en vooral sterke overtuigingen, en die wilde hij allemaal bekend maken tot steeds grotere en betere groei van de missies.

Meteen toen hij “Le Missioni Cattoliche” (De katholieke Missies) ging leiden, maakte hij van dat tijdschrift een middel om de apostolische geest te wekken. Hij was van slechts één gedachte bezeten: “Als hij dacht aan de missie die hij had moeten verlaten, zei alsmaar bij zichzelf: ‘Daarginds moeten miljoenen mensen gered worden en hier lopen zoveel priesters maar… te wandelen’”[9].

Om die reden kwam hij met allerlei initiatieven. Om er slechts een paar te noemen: hij stelde voor, in Zuid-Italië een seminarie te openen om veel jongeren de mogelijkheid te bieden de missie-roeping te beleven – een idee dat eerst werd afgewezen en naderhand door de paus zelf geopperd zou worden; een ander voorstel dat hij deed aan de secretaris van de Heilige Congregatie de Propaganda Fide was, een missie-encycliek uit te vaardigen om de missionaire beweging nieuw leven in te blazen, want hij zag hoe onverschillig en onwetend de katholieken in het algemeen waren, waar het de evangelisatie betrof. Die gevraagde plechtige akte van paus Benedictus XV zou enkele jaren later komen, op 30 november 1919 met Maximum illud.

Maar zijn grote voorstel was de stichting van de Missionaire Unie voor Priesters. Al jarenlang was hij met die gedachte bezig. Reeds in 1908, toen hij het boek Operarii autem pauci (Werklieden zijn er maar weinig) liet verschijnen, gaf hij zijn verlangen te kennen dat de priesters directer en meer voortdurend deel zouden nemen aan het missiewerk[10].

Op 31 oktober 1916 werd de Missionaire Unie voor Priesters officieel goedgekeurd door paus Benedictus XV, met name dankzij mgr. Guido Conforti die toen aartsbisschop was van Parma en die zich onverbrekelijk met het idee van die Unie verbond. Daarmee begon voor p. Manna het werken aan propaganda om dit werk bekend te maken en in verschillende bisdommen op te richten. De Missionaire Unie had tot doel, de priesters bewust te maken van het probleem van de missies, opdat de gelovigen daardoor meer beseffen zouden wat missie betekent en opdat er uiteindelijk meer roepingen zouden komen. Het doel van de Unie was enerzijds een bij uitstek geestelijk doel en anderzijds was zij van mening dat de vorming van een echt missiebesef tot stand zou komen als men de voornaamste missieproblemen van die tijd kende[11].

Om beter de manier te begrijpen waarop p. Manna zijn “bedoelingen” vorm gaf lijkt het van belang terug te gaan naar zijn vorming en naar zijn ervaring vanuit de milieus van missie-samenwerking, zoals die sterk leefde in de 2e helft van de XIXe eeuw, bijgevolg terug te gaan naar een kerkbeeld dat algemeen gangbaar was in een deel van de missieliteratuur van die periode. Volgens dat beeld was de voornaamste oorzaak van de missie-crisis toe te schrijven aan “een gebrekkige opvatting van wat de Kerk is”: ze werd teruggebracht tot paus en bisschoppen. Manna stond erop, verder te gaan dan die opvatting, daar niet zij alleen de Kerk vormen; de Kerk is immers de vereniging van alle gelovigen, van heel de christengemeenschap met haar herders. Het was de taak van de priesters, de bisschoppen en de paus, alle christenen bewust te maken van hun ernstige verplichting, het evangelie te verbreiden over heel de aarde. Hier hebben we het fundament en de bestaansreden van de Missionaire Unie voor de Priesters. Manna had een hoge opvatting van de Kerk; daardoor kon hij alle missieproblemen zien in een veel groter geheel; daarin konden ze tot ontwikkeling komen binnen de hele werkelijkheid van de Kerk[12].

Wanneer hij tot overste van het Instituut wordt gekozen, zal hij, man van apostolaat, in die functie eveneens geheel zijn weidse visie laten blijken die steeds meer open stond voor verre horizonten. Hij had zijn eigen program en begon dat meteen uit te werken. Hij wilde:

“Het team van het instituut sterk maken, speciaal door een intensere en meer omvattende eenheid van het moederhuis met de missies… hun grote geheel moest een ziel hebben; het instituut was niet een bureau voor het werven van roepingen voor het buitenland en mocht dat ook niet zijn”[13].

De apostolische brieven die hij in de tien jaren van zijn mandaat aan zijn missionarissen schreef hadden eveneens tot doel die eenheid te versterken tussen het moederhuis en de missies.

We zinspeelden al op de profetische rol van p. Manna; die zien we vooral terug in zijn woorden in Osservazioni sul metodo moderno di evangelizzare (Opmerkingen over de moderne methode van evangelie verkondiging), een tekst die hij had geschreven na de reis die hij maakte in Azië. In dat boek verklaart hij openlijk dat de eerste plaats in de missie-strategie niet meer toekomt aan priesters uit andere landen, maar aan die uit het eigen (missie-) land. Het stichten van een inheemse Kerk zou een grondbeginsel van levensbelang moeten zijn dat de jonge Kerken autonoom laat worden.

De historicus Giuseppe Butturini schrijft:

“Zonder zijn algemene opvatting van de missies te veranderen voorvoelde Manna dat de bekering van China niet zozeer zou verlopen langs externe, maar veeleer langs interne lijnen, van binnen uit; niet door hulp uit Europa en zelfs niet doordat er veel meer missionarissen kwamen, maar door een talrijke inheemse geestelijkheid die een voorbereiding genoten had, afgestemd op de uiteenlopende plaatselijke omstandigheden”[14].

Door deze fundamentele intuïtie ging hij verlangen, een revolutionair boek te schrijven over de situatie van de missie in China en meer in het algemeen over de missie-strategie van de Kerk.

Manna overhandigde de tekst ervan in 1929 aan slechts enkele kardinalen van de Romeinse Congregaties. Dezen raadden hem aan, voorzichtig en geduldig te zijn, omdat bepaalde voorstellen te radicaal waren. Dertig jaar lang is de tekst in de archieven bewaard gebleven, daarna kregen bepaalde bisschoppen die deelnamen aan het Tweede Vaticaans Concilie hem in handen, en vanaf 1971 ging hij rond onder de specialisten; maar pas in 1977 werd hij uitgegeven in Italië[15].

Voor Manna bleef het antwoord op de diagnose die hij in dit boek maakte steeds hetzelfde: het is zeker nodig de werkwijzen te herzien, de vorming van een goede inheemse clerus is noodzakelijk; in één woord, alle aangegeven gebreken moeten verholpen worden, “maar boven dat alles uit moeten er meer arbeiders komen”; we “moeten nieuwe mannen hebben… mannen die goed voorbereid zijn voor de heilige en grootse onderneming… mannen die echte Apostelen zijn”[16].

De spiritualiteit van Paolo Manna in de evangelisatie van vandaag

Paolo Manna was een verziende man, die de werkelijkheid van het ogenblik wist te verbinden met wat noodzakelijk was voor de toekomst, altijd en alleen maar noodzakelijk voor het doen kennen van Christus.

Zijn spiritualiteit lijkt ons tegenwoordig hoogst actueel:

“Als een profeet, al noemde Manna zich niet als zodanig, gaf hij wegen en een werkwijze aan voor de nieuwe missie, waar het wonder zou moeten bestaan in de heiligheid van de apostel, een heiligheid die geen ‘fictie’ was, geen gebalsemde of gipsen heiligheid, maar een die levend en krachtdadig zou zijn, geïncarneerd in de tijd en de geschiedenis, zoals de heiligheid van Christus, de gezondene (missionaris) van de Vader”[17].

Zijn dringende oproep tot heiligheid, zijn oproep om heiligen te worden – er bestaat immers geen missie zonder heiligheid – brengt ons weer naar wat de heilige Joannes Paulus II in Redemptoris Missio verklaart:

“De roeping tot de missie vloeit van nature voort uit de roeping tot heiligheid. Iedere missionaris is slechts waarlijk missionaris als hij de weg naar de heiligheid inslaat… De universele roeping tot heiligheid hangt nauw samen met de universele roeping tot de missie” (nr. 90).

Nieuwe tijden vereisen meer overtuigde en vastbesloten missionarissen.

“De Kerk van onze dagen – zo schreef hij in 1932 – heeft even hard missionarissen nodig als een eeuw geleden; ja, nu meer dan ooit, want nooit eerder stond de wereld zozeer open voor de evangelieverkondiging” (L 18, 343).

Voor onze tijd kunnen we dat ook vaststellen: de Kerk heeft misschien nooit zo sterk als tegenwoordig de mogelijkheid gehad om te zorgen dat de hele wereld bereikt wordt met de boodschap van Christus en daarvoor zijn missionarissen nodig. Als de evangelieverkondiging nog maar traag gebeurt en als er zoveel landen zijn die een nieuwe evangelisatie nodig hebben, hangt de verwerkelijking daarvan af van onze heiligheid, van ons apostolisch vuur en van onze liefde voor Jezus Christus.

Bovendien zie je evenzeer in veel van de stellingnamen van p. Manna, die deels in deze tekst worden hernomen, hoe actueel hij is: die inzichten lijken meer dan ooit te gelden, want ze beantwoorden aan problemen die net als toen nog steeds beletten dat vele volken tot de Kerk toetreden.

Begin vorige eeuw schreef hij:

“Vroeger was de missie vooral een kwestie van geloof, tegenwoordig wordt ze eerder een… wetenschappelijke kwestie; vandaar ook de onvruchtbaarheid van zoveel preken en conferenties die met roeping te maken hebben” (L 19, 381).

Een missionaris trekt niet naar de missie omdat een theorie hem ertoe aanzet, maar omdat hij door een liefdesverklaring bewogen wordt: “Zoals de Vader Mij heeft liefgehad, zo heb ook Ik u lief. Blijf in Mijn liefde” (Jn 15, 9); “Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik u” (Jn 20, 21). Als we niet uitgaan van dit geloof en deze liefde van Jezus Christus, zullen ook onze missies zonder inhoud zijn en geen vruchten dragen, zoals p. Manna verzekerde.

Maria Grazia Furlanetto

 

 

__________________

[1] Vgl. J. Esquerda Bifet, Prefazione, in P. Manna, Virtù apostoliche..., 19.

[2] G. B. Tragella, Un’anima di fuoco..., 54.

[3] G. B. Tragella, Un’anima di fuoco..., 370.

[4] G. B. Tragella, Un’anima di fuoco..., 369.

[5] Vgl. G. B. Tragella, Un’anima di fuoco..., 203.

[6] G. B. Tragella, Un’anima di fuoco..., 381.

[7] Vgl. G. B. Tragella, Un’anima di fuoco..., 85.

[8] Vgl. G. B. Tragella, Un’anima di fuoco..., 147.

[9] G. B. Tragella, Un’anima di fuoco..., 155-156.

[10] Vgl. G. B. Tragella, Un’anima di fuoco..., 172.

[11] Vgl. G. Butturini, La “fine delle missioni”..., 36.

[12] G. Butturini, La “fine delle missioni”..., 59-60.

[13] G. B. Tragella, Un’anima di fuoco..., 229.

[14] G. Butturini, La “fine delle missioni”..., 10.

[15] Vgl. G. Buono, Osservazioni sul metodo moderno di evangelizzazione (1929): inedito del padre Paolo Manna del Pontificio Istituto Missioni Estere, Pontificia Universitas Urbaniana. Facultas missiologiae, Roma 1977.

[16] Vgl. G. Butturini, La “fine delle missioni”..., 58-59.

[17] A. Staccioli, Presentazione, in P. Manna, Virtù apostoliche..., 5.

 

(Vertaald uit het Frans door een Zuster bekend aan de redactie)

 

 

17/07/2024